Dit artikel bestaat uit een samenraapsel van onderwerpen. Allereerst
kom ik terug op mijn artikel ASpringen met visluis@ verschenen in De Karper nummer 54. Vervolgens ga ik wat dieper in
op mijn artikel AAls het andere belangrijk wordt@ dat is verschenen in De Karperwereld nummer 12.
Deze bijdrage zal ik afsluiten met enige opmerkingen omtrent
de organisatie van de sportvisserij in Nederland. Wat ik met mijn commentaar
bereiken wil is het Aopenen@ van een discussie over het huidige functioneren van deze organisatie
onder de hengelaars zelf (en niet onder de bestuursleden van genoemde
organisatie). Tevens wil ik een weg openen voor het vormen van een Atotaal@ nieuwe en meer eigentijdse organisatie.
DE VISLUIZEN
De uitgebroken epidemie van visluis op het Hoefijzer is in het niets
opgelost. De in 1999 door mij en Floris gevangen karpers blaakten van
gezondheid en waren vrij van luis. De karpers schijnen geen echt nadelige
gevolgen van deze vervelende beestjes te hebben ondervonden.
Wel werd op 5 juni Dikkop dood gevonden. Zijn gewicht op dat
moment bedroeg 23,0 pond en dat is ver onder het gewicht dat verwacht
mocht worden. Zijn doodsoorzaak hebben we niet kunnen achterhalen. Het
lijkt me echter niet waarschijnlijk dat de visluizen er iets mee van
doen hebben gehad.
En nu komt natuurlijk die andere interessante vraag naar boven:
Hoe was het gesteld met het springen van de karpers nu ze verlost waren
van de luizen? Wat mij betreft is het een heel bevredigend antwoord.
Ze sprongen bijna niet meer! Ik wijs er nog maar eens op dat dit resultaat
voor geen meter wetenschappelijk te noemen is. Toch heb ik ongeveer
evenveel uren aan het Hoefijzer doorgebracht als het jaar ervoor. En
een ding is zeker: ik heb veel minder springende karpers gezien. Dus
ik ben zo vrij geweest om te concluderen dat visluizen inderdaad een
reden zijn voor een karper om te gaan springen.
ALS HET ANDERE BELANGRIJK WORDT
Als je bovenstaand artikel in De Karperwereld gelezen hebt, zal je
duidelijk zijn geworden dat ik Anatuur@ hoog in het vaandel heb staan. Dat betekent voor mij onder andere
dat er in principe geen enkele vis mag worden uitgezet. (Wat dat betekent
voor het uitzetten van karper heb ik in dat artikel reeds uiteengezet.)
Het betekent voor mij ook dat er in principe geen enkele vis mee mag
worden genomen. Dus alle karpers blijven in het water waar ze zijn gevangen
(toch een heikel punt onder karpervissers, nietwaar). Dus alle roofvis
(met name snoek) blijft in het water waar ze is gevangen.
Door deze principes in acht te nemen wordt visstandbeheer een
vrij simpele zaak. Gewoon met je poten van de visstand afblijven en
de Anatuur@ zijn gang laten gaan. Deze principes maken het ook mogelijk - al heb
ik daar nog geen ervaring mee - om contact te zoeken en samen te werken
met natuurorganisaties. Het doel - een natuurlijke visstand - is namelijk
hetzelfde. Bedreigingen van die visstand kun je dan ook gezamenlijk
aanpakken (de aanleg van een waterkrachtcentrale bijvoorbeeld, of het
verlenen van schubvisrecht aan het beroep).
Wat ik wel van een natuurbeschermingsorganisatie verwacht is
dat alle wateren in principe bereikbaar en bevisbaar blijven. En dat
hoeft heus niet 365 dagen per jaar, dag en nacht en vanaf alle oevers
te zijn. Er kunnen belangen zijn die (tijdelijk en plaatselijk) boven
het belang van de hengelaar uitgaan.
Om eens aan te geven dat ook Aanderen@ naar het uitzettingsbeleid
van hengelsportverenigingen kijken het volgende citaat uit: Zoogdier,
tijdschrift voor zoogdierbescherming en zoogdierkunde, jaargang 10 nr.2
september 1999. Dit artikel kreeg ik pas onder ogen toen mijn artikel
reeds op weg was naar de redactie van De Karperwereld.
Ik citeer Piet Bergers:
KARPERS
Als je wilt weten welke eisen een karper aan zijn leefgebied stelt,
moet je in een studie naar het voorkomen ervan in elk geval geen wateren
onderzoeken waarin gevist wordt. Er is in Nederland geen diergroep die
zoveel uitgezet wordt als vissen, dus het is maar de vraag of ongestoorde
wateren te vinden zijn. Nu is het wel zo dat je ook in hengelwater kunt
kijken of de karpers zich succesvol voortplanten, maar dan weet je alleen
iets over de huidige geschiktheid van het habitat. Of de karper ook
langdurig op die plek kan blijven leven zonder menselijk ingrijpen en
of hij die plek ook op eigen kracht had kunnen bereiken, dat is onbekend.
Als karper kun je goed in de problemen komen als de hengelsportverenigingen
nog verder vergrijzen en er niet in slagen meer jongeren voor hun hobby
te interesseren. Het huidige pakweg miljoen hengelaars neemt dan
af tot misschien maar honderdduizend. Afhankelijk van wie dan de
sterkste lobby heeft zal het pleziervissen verboden worden als vorm
van dierenmishandeling, faunavervalsing of natuurverstoring. De
visstand zal dan niet meer op de huidige manier beheerd worden. Met
als gevolg dat de introductie door monniken in de Middeleeuwen binnen
duizend jaar toch niet succesvol bleek?
Natuurbescherming moet naar mijn mening er steeds naar blijven
streven om de natuur zo veel mogelijk onafhankelijk te houden van menselijk
ingrijpen. Dat is op de lange termijn de beste garantie voor het overleven
van soorten. Daarom moeten we zo lang mogelijk hoogstens aan de randvoorwaarden
sleutelen en de soorten zelfstandig houden. Dus geen soorten uitzetten.
Dan kun je tenminste zien of het de goede of verkeerde kant uitgaat.
WAT DAN?
Ben ik nou te allen tijde tegen het uitzetten van soorten? Nee. Ik
ben voor wegvangen en kweken, uitzetten, etc. etc. als allerlaatste
redmiddel om uitsterven te voorkomen.
Tot zover Piet Bergers. (vet door Tonny Buijs)
Het artikel van Piet Bergers gaat in algemene zin in op het wel of
niet (her)introduceren van dieren of planten in Nederland. Wel of geen
bevers, wel of geen lynxen, wel of geen pimpernelblauwtje etc. In natuur
minnend Nederland is dat een behoorlijk heftige discussie. Opmerkelijk
is dat Piet Bergers kijkt naar een vissoort: de karper die in gekweekte
vorm al honderden jaren wordt uitgezet.
De argumenten dierenmishandeling en natuurverstoring krijgen
wij als hengelaar al voor de kiezen. Voor mij staat vast dat we het
argument faunavervalsing (het uitzetten van o.a. karper) in de toekomst
nog veel meer te horen krijgen.
Het massaal uitzetten van karper is niet meer van deze tijd.
Het met visie en het liefst op papier onderbouwd uitzetten van een kleine
hoeveelheid karper moet mogelijk blijven of worden. Ik denk dat het
noodzakelijk is dat we ons daarop goed gaan voorbereiden. Al is het
maar om spiegelkarpers voor uitsterven te behoeden.
Samenwerking met natuurclubs zal waarschijnlijk niet meteen van het
leien dakje gaan. Als voorbeeld: de relatie met de vogelaars. Ik ken
behoorlijk wat vogelaars zoals ik schreef en ik ken hun meningen zoals
ik die weergaf in De Karperwereld. Helaas is het bestuur van de Arnhemse
Vogelwerkgroep wel anti-visser. In hoeverre zij daarmee hun leden vertegenwoordigen
weet ik niet. Er zijn vissers lid van die Vogelwerkgroep en ik ken zelfs
jagers die lid zijn van die club.
In dit geval - helaas zou ik bijna zeggen - zit je als bestuur
van een hengel....vereniging (sport heb ik met opzet weggelaten, want
vissen heeft voor mijn gevoel niets met sport en competitie te maken)
tijdens een gesprek wel met het bestuur van de Vogelwerkgroep aan tafel.
Ondanks dat hebben we het voor elkaar gekregen dat in Meinerswijk op
drie oevers de gesloten tijd is teruggebracht naar 15 maart - 1 juni.
Voor een oever is de gesloten tijd verlengd van 15 maart - 1 september.
In dit geval kunnen wij leven met dit besluit. Bij die ene oever broedt
normaal gesproken een zomertaling en in de nabijheid van die oever broeden
kwartelkoningen. Omdat de kwartelkoning pas laat in Nederland terugkeert,
zo rond eind mei - begin juni, kan hij broeden tot september. Vandaar
de verlengde gesloten tijd.
Het gesprek met het bestuur van de vogelwerkgroep heeft, denk
ik, wel een beetje hun mening over hengelaars veranderd. Misschien zijn
zij iets minder anti geworden. Ik moet hierbij wel aantekenen dat het
hengelbestuur waarvan ik deel uitmaak waarschijnlijk ook niet een afspiegeling
is van hengelaars in Nederland. Vanuit mijn voorliefde voor de Anatuur@ zit in ieder geval ik al voor een groot deel op dezelfde
golflengte als de vogelaars.
EEN NIEUWE ORGANISATIE
Twee bedreigingen voor de sportvisserij brachten mij op het idee om
de sportvisserij in Nederland te hervormen. De eerste is het verdwijnen
van viswateren, de tweede is het verlenen van schubvisrecht aan beroepsvissers.
De eerste bedreiging komt voort doordat natuurorganisaties gebieden
afsluiten. Zij zijn echter niet de enige schuldige. Vanuit de Achterhoek
bereiken mij geluiden dat daar wateren worden gekocht door campinghouders
en/of andere particulieren die daar vervolgens een groot hek omheen
plaatsen met het welbekende bordje Averboden toegang@.
Voor mij staat vast dat de beroepsvisserij op het binnenwater moet
stoppen. Deze vissers hebben immers allang bewezen dat ze geen maat
kunnen houden. Ik weet niet hoe kapitaalkrachtig de sportvisserij sector
is. De snelste manier om van de beroepsvissers af te komen lijkt me
het afkopen van hun rechten. Als het er nog maar een paar honderd zijn
dan moet het toch mogelijk zijn om ze een voor een te laten verdwijnen.
Misschien kun je hierbij zelfs de (financiële) hulp van natuurclubs
inroepen, want ik kan me niet voorstellen dat zij staan te juichen bij
het vernietigen van de schubvisbestanden op het binnenwater. Ook al
hebben ze van deze materie doorgans niet veel kaas gegeten. Het probleem
is: Heeft de georganiseerde sportvisserij de financiële middelen en
de intentie om het beroep uit te kopen? Of kan zij in de toekomst -
door samenwerking - die middelen vergaren?
Brengt mij op een ander punt. In bovenstaande zou je natuurclubs
als bondgenoten kunnen gebruiken maar te vaak wordt de hengelaar door
die clubs als vijand gezien. Overleg wil nog weleens eens helpen maar
of dat nou het ei van Columbus is om voorgoed van die verbodsborden
verlost te worden weet ik niet. Zou het niet iets zijn om naar analogie
van Natuurmonumenten een vereniging op te richten die wateren aankoopt?
Ben je eenmaal eigenaar van een gebied dan kun in feite alles doen en
laten wat je wilt. Daarmee wil ik niet zeggen dat alle belangen van
de hengelaar in dat geval moeten prevaleren. In mijn beleving zul je
verkregen gebieden namelijk moeten beheren als ware het natuurgebieden.
Het probleem is: Heeft de georganiseerde sportvisserij de financiële
middelen en de intentie om gebieden aan te kopen?
Er zullen nu waarschijnlijk lezers zijn die naar hun voorhoofd
wijzen, dat idee van die Buijs is pure luchtfietserij! Toch, er zijn
anderhalf miljoen hengelaars. Natuurmonumenten heeft zo=n beetje 900.000
leden. In principe moeten die hengelaars (samen met de hengelsportsector?)
een hele sloot geld kunnen opbrengen. Geld dat daadwerkelijk wordt besteed
om hengelsportmogelijkheden veilig te stellen. Al heb ik er geen idee
van of je kunt opbieden tegen bijvoorbeeld een Natuurmonumenten. Het
blijft in ieder geval een feit dat wij in Nederland maar een schijntje
betalen voor onze vergunningen. Daarnaast zal er een hele organisatie
op poten moeten worden gezet. Niet makkelijk, maar of het onmogelijk
is?
Toen eenmaal dat voorbeeld van Natuurmonumenten zich in mijn hoofd
had vastgezet begonnen allerlei radertjes opgewonden te knarsen. Wat
een voordelen zou zo=n dergelijke organisatie structuur wel niet hebben?
Ik ben een tijdje concreet bezig geweest, maar in gedachten nog
steeds, met de georganiseerde sportvisserij zoals die nu bestaat. De
organisatie heeft ruwweg de volgende structuur: vereniging - federatie
- NVVS. Daarnaast bestaat er een NASO en een grote onafhankelijke federatie
de Maas. In principe komen al deze clubs op voor de belangen van de
hengelaar. In mijn beleving (ik kom bij Arnhem vandaan, wellicht heeft
iemand in Groningen hele andere ervaringen) functioneert deze verzameling
voor geen halve meter. Okee, er zijn verenigingen en federaties die
het wel goed voor elkaar hebben maar de anderen vormen een loden last
voor de goedwillenden.
Ik sta nu voor een probleem. Er ontbreekt mij de ruimte om mijn idee
hier tot in detail weer te geven echter in mijn hoofd is het volkomen
uitgekristalliseerd. Ik concludeer hier voor het gemak maar even dat
de huidige organisatie niet werkt, de redenen daarvoor zijn legio. Op
deze plaats wil ik wel in grote lijn aangeven hoe het volgens mij wel
moet. Wat voorop moet staan is het belang van de hengelaar, niet het
belang van een vereniging of federatie. Te zijner tijd verschijnt er
wellicht ergens een artikel waarin ik mijn visie wel tot in detail heb
uitgewerkt. Tenminste als er interesse voor is.
Resten mij een paar kreten:
C.
Er komt een centrale kapitaalkrachtige vereniging in Nederland: AVereniging Nederlandse Hengelaars@ (VNH). Bij deze vereniging haal je je vergunning waarmee je in heel
het land kunt vissen. Daarvoor is het noodzakelijk dat alle verenigingen
en federaties afstand doen van al hun visrechten ten gunste van de centrale
vereniging. Dat is misschien niet in het belang van de federatie of
vereniging maar wel voor de hengelaar en daar zitten ze toch eigenlijk
voor. (Met andere woorden alle federaties, en daarbij al die verenigingen
die alleen bestaan omdat ze vergunningen uitgeven, worden ontmanteld.)
C.
Per provincie komt tenminste een betaalde kracht die in zijn regio op
provinciaal niveau vrijwilligers aanstuurt. Die betaalde kracht komt
in dienst van de VNH en wordt ook van daaruit aangestuurd zodat op hoofdlijnen
overal in Nederland hetzelfde gewerkt wordt en overal dezelfde prioriteiten
gelden.
C.
Ledenvergaderingen worden per provincie georganiseerd.
C.
De VNH kan waar nodig wateren aankopen die beschikbaar komen voor alle
leden.
C.
De VNH koopt waar nodig beroepsvissers uit.
C.
De VNH zorgt voor een eenduidige regelgeving zodat handhaving makkelijker
wordt. (Legalisatie van onbeperkt nachtvissen en het vissen met drie
hengels wordt zo een stuk eenvoudiger.)
C.
De VNH stelt de principes vast voor het te voeren visstandbeheer. Uitgangspunt
dient het natuurbeheer te zijn.
C.
De VNH wordt ondersteund door betaalde krachten (juristen, biologen
etc.)
C.
De VNH wordt geadviseerd door de KarperStudiegroep Nederland en andere
specialistenverenigingen. Daarbij valt ook te denken aan een vereniging
die niet bestaat uit hengelaars maar die zich wel bezighoudt met onderzoek
naar vissen.
C.
De VNH geeft vier maal per jaar een blad uit met daarin o.a. artikelen
uit bladen van de specialisten verenigingen. Ieder lid krijgt dat blad.
C.
Voor dagjesvissers of vakantiegangers komt de mogelijkheid om voor de
gemeente waarin ze wonen of vertoeven een beperkte vergunning te kopen.
C.
Er komt een overzicht - boekje of cd-rom - met alle (vis)wateren van
Nederland en de (specifiek) daar geldende regels.
Er
zijn natuurlijk parallellen te trekken met de NVVS. In mijn optiek echter
bezit de VNH wel de middelen die de NVVS, ondanks het goede werk dat
ze doet, tot een machteloze organisatie maakt.
Het mag de sportvisserij in ieder geval niet hetzelfde overkomen als
de jagers. Zij hebben de slag om de publieke opinie kansloos (?) verloren.
Het zou oerdom zijn als de sportvisserij hetzelfde zou overkomen. Wat
mij betreft is het tijd om de rijen te sluiten.
Tonny Buijs