GROETEN UIT NOORWEGEN

Deel 1.

Het begin: Nederland
Gezien de positieve reacties die de redactie van de Dorpskrant heeft ontvangen op mijn IJsland reisverslag is mij gevraagd, toen het de redactie ter ore kwam dat ik het plan had een trektocht naar de Noordkaap in Noorwegen te maken, om daar wederom verslag van te doen. Omdat ik zelf ook vele leuke reacties heb gehad, heb ik besloten daar positief op te antwoorden.

Om niet alle familiefeesten te moeten missen vertrokken Bonny en ik op 1 juni; de dag na de 40-jarige bruiloft van Jan en Lei Peters. Mijn bedoeling was om vanaf Nederland, via Noord-Duitsland en Denemarken, en eventueel Zweden naar Oslo te fietsen. Ik had daarvoor een maand de tijd want 30 juni zou Bonny met het vliegtuig in Oslo landen om van daaruit vijf weken met mij mee te reizen.

Het klinkt misschien raar dat ik toch weer door die landen wilde fietsen waar ik vorig jaar op de thuisreis met oogkleppen op doorheen ben gesjeesd en er niet veel aan vond. Ik kan daarvoor een aantal redenen geven:

_   ik wilde weer eens libellen zien en fotograferen (op IJsland vliegen geen libellen)

_   in Haaksbergen moest ik de kerk fotograferen voor tekeningen in het kinderboek

_   ik kan me zo langzaam - op het vlakke - in conditie fietsen

_   ik ben bezig met een vertaling van een IJslandse Saga: ‘De Saga van Grettir de Sterke'. Om aan illustratie materiaal te komen bezoek ik in Denemarken een hele reeks runenstenen en andere getuigen uit de Vikingtijd.

_   als laatste; ik wilde de mooie kant van Nederland wel eens zien. Is de natuur hier ook maar enigszins te vergelijken met die van IJsland en Noorwegen? Of is Nederland alleen maar beton, asfalt, blik, Vinex-wijk en industrieterrein, en overal drukte (om niets)? Een land ook waar om economische redenen bij bosjes gezonde dieren worden afgemaakt. Zijn we zo langzamerhand het spoor niet bijster? Dit beeld heb ik inderdaad en het is een belangrijke reden voor mij om te gaan reizen.

Op weg naar het Korenburgerveen bij Winterswijk scoort Bonny haar eerste weidebeekjuffers. Een goed begin. Met dreigende wolken boven ons worden we door twee plaatselijken naar de dichtstbijzijnde camping bij het veen gedirigeerd. Ons voornemen om te gaan kamperen bij de boer ging in rook op. Het leek wel een Duitse enclave waar we terecht kwamen. Niets ten nadele van onze oosterburen maar de camping ‘De Twee Bruggen' was een groot caravandorp compleet met zwembad, huisjes, midgetgolfbaan en supermarkt. Zo'n camping is voor ons foute boel maar het begon al te regenen en gezien de vooruitzichten zou dat zo blijven. Helaas kwamen de voorspellingen uit. Dus stond ik daar vier nachten.


Winterswijk en omgeving
Verveeld hebben we ons niet. Wie van tweedehands boeken houdt moet naar Bredevoort. In mijn jacht op saga's en aanverwante literatuur deed ik goede zaken.

Het coulissenlandschap rond Winterswijk vind ik mooi. Afwisselend weiland en bosjes - veel rode beuken bij statige landhuizen en bij kleine dorpjes vaak een molen - en wanneer je van de asfaltwegen af bent kom je bijna niemand meer tegen. Jammer dat je er helemaal voor naar Winterswijk moet want voor de rest werd mijn beeld van Nederland weer bevestigd. Ik heb meer industrieterrein dan natuurterrein gezien en meer auto's dan vlinders.


Het Korenburgerveen en de orchideeën van Winterswijk
Zoals verwacht mocht worden van een terrein van Natuurmonumenten mocht je het grootste gedeelte van het gebied niet in. (Een reden voor mij om het lidmaatschap van deze organisatie op te zeggen.) Het gedeelte waar we wel in mochten ‘het Meddoseveen wandelpad' dat we al kenden was weer erg mooi. Wat te denken van twee soorten vleesetende planten: ronde zonnedauw en klein blaasjeskruid (nieuw - als achter een soort nieuw staat dan heb ik die soort niet eerder bewust gezien) Of de boomleeuweriken (nieuw), levendbarende hagedissen (nieuw in Nederland voor mij) en zowaar een speerwaterjuffer (nieuw) naast talrijke viervlekken en venwitsnuitlibellen. Ik heb genoeg gezien. Ook, dat ‘de mens' in het gebied ‘noodgedwongen' weer van alles aan het regelen is. Op een stuk waar de bovenste laag grond was afgegraven stonden de meeste zonnedauwplantjes - logisch - op een ander afgegraven stuk - net buiten het gebied -  zag het roze van de echte koekoeksbloemen. Een prachtig gezicht. Tussen al de roze koekoeksbloemen stond een wit exemplaar, nooit eerder gezien. De hagedissen zijn niet moeilijk te vinden; je moet het wel even weten. Als je eens wilt gaan kijken: op het pad van houten balken zitten ze vaak op de postjes te zonnen.

Het veen was goedgekeurd en we zetten koers naar het orchideeënterrein. Dit terrein is ondanks dat het van Staatsbosbeheer is ook verboden terrein. Als je het ziet begrijp je waarom. Het staat barstend vol met bosorchideeën! Helaas niet allemaal in bloei, waarschijnlijk door het koude voorjaar. Wat wel ontbraken waren de nachtorchissen. Twee jaar geleden stonden er genoeg. Nu kon ik er geen vinden.

Wel zag Bonny twee houtsnippen - waarom mis ik die vogels toch steeds? En toen we eenmaal de eerste meikever hadden volgden er snel meer. Roofvogels zitten er genoeg: wij zagen buizerd, torenvalk, sperwer en!!! een ruigpootbuizerd. Iets groter dan een buizerd zegt het boekje, dat kon ik in de lucht niet zien. Wel dat hij als een torenvalk stond te bidden. Echte buizerds doen dat niet vaak, dus ging er een belletje rinkelen en toen ik de witte stuit in een flits zag wist ik genoeg: als dat geen ruigpoot was! Het jaargetijde waarin (het is een wintergast) was wel helemaal verkeerd.

In Winterswijk hebben we een goede tijd gehad. Het cultuurlandschap eromheen is prachtig. Het ‘echte' natuurterrein is slechts enkele vierkante meters groot. Het veen en het orchideeënterrein zijn twee mooie postzegels uit de verzameling Nederlandse natuurterreinen.


Het Haaksbergerveen
Nadat ik de kerk van Haaksbergen had gefotografeerd zette ik koers naar het Haaksbergerveen. Weer een postzegel bleek tijdens de fietstocht. Het veen maakte even een diepe indruk op mij (Bonny is naar haar eigen werk). Het is goed toegankelijk (Staatsbosbeheer) en waar je niet kunt komen, wil je ook niet komen. Ik stond gelijk tot de knieën in de zut, maar kreeg wel de foto die ik wilde hebben.

Die nacht sliep ik in het veen. Gek werd je er van de muggen, die etters steken je gewoon helemaal daas. En door de hooikoorts sliep ik slecht. Wat wil je ook als je de halve dag met je snufferd in het gras ligt te fotograferen. Het ergste van hooikoorts is dat je er zo moe van wordt.

Het Haaksbergerveen staat bekend om zijn adders. Die waren dan ook mijn doel. Ik heb alle paden afgelopen met de ogen op de grond. Slechts een adder zag ik (nieuw). Helaas voelde hij me net iets eerder en daarom ontsnapte zij (het was een vrouwtje) aan de gevoelige plaat. De adderjacht was geen groot succes. Met de vogels ging het een stuk beter:  talrijke koekoeken, verscheidene dodaars en op een gegeven moment vijf! boomvalken (nieuw) plus twee buizerds boven het ven voor me. De boomvalken waren met staaltjes spectaculaire lucht acrobatiek aan het jagen op libellen waarvan het hier barst. Ik wist trouwens niet dat libellen zo hoog gingen. Wat ik graag eens zou willen zien, is een boomvalk die achter een zwaluw aangaat, dat moet een geweldige show zijn!

Libellen dus in overvloed voornamelijk de al genoemde viervlekken en venwitsnuitlibellen. Ik had het idee dat er bij het Korenburgerveen meer soorten vlogen.

Het Haaksbergerveen (met enkele orchideeën) is op sommige plekken heel dramatisch. Die stukken zijn mooi. Andere gedeelten waar de mens ook noodgedwongen weer hard bezig is natuur te maken zijn oerlelijk omdat het ingrijpen zo duidelijk is te zien. Toch, met een goed gevoel verlaat ik dit veen op weg naar het Bargerveen.

Het Bargerveen 
Vlak voor de fiets schiet een eekhoorntje in de boom naast de drukke weg. Enige tijd later ontwaar ik een ree. Dat betekent dat ik een slaapplaats moet zoeken. Op goed geluk stuur ik een zandpad op en kom na twee kilometer fietsen (weer twee reeën) op een prachtplek. Een klein weilandje met lekker zacht gras. Ik slaap uitstekend en word gewekt door het gezang van vele vogels. Geen wonder, ik had overnacht - bleek later - op een natuurterrein van Staatsbosbeheer dat bekend stond om zijn zangvogels. Ik klaagde niet over het ochtend concert.

In het dorpje Weiteveen, midden in het Bargerveen, was het echt kamperen bij de boer. Geen muggen en alles wat ik nodig had: w.c., douche en water. Bonny kwam het weekend nog over met de trein. Daarna zou ik haar pas weer in Oslo zien.

Het Bargerveen is veel groter dan het Haaksbergerveen en al helemaal dan het Korenburgerveen. Weer zag het veen er anders uit. Vooral veel heide, met roodborsttapuiten, gekraagde roodstaart (nieuw) en geelgors. Op de grote watervlakten zaten tientallen geoorde futen, enkele zwarte sterns (nieuw) en in de bosjes bij de vennetjes zaten veel grauwe klauwieren (nieuw in Nederland) en blauwborsten (nieuw). Eentje ging speciaal voor ons zitten poseren en kwinkeleren. Trots zijn blauwe borst showend. Vreemd genoeg geen boomvalken; ook weer niet zo vreemd als je bedenkt dat er in vergelijking met de andere twee venen bijna geen libellen zaten (waarom?). Ik had ook nieuwe vlinders: de aardbeivlinder, een nieuw blauwtje en een of ander zandoogje. Het kleine vuurvlindertje kende ik al. Geen adders, wel een hagedis.

Als je mijn lijstje zo bekijkt dan denk je dat er in Nederland nog zat te zien is. Dat is ook zo, maar wel met een paar kanttekeningen. Ik heb deze gebieden natuurlijk van tevoren geselecteerd. Het ene gebied is bekend om zijn adders, het ander om zijn grauwe klauwieren en geoorde futen. Ik wist dus eigenlijk van tevoren al dat ik ze zou zien en dan krijg je een behoorlijk vertekend beeld. Het Bargerveen bijvoorbeeld heeft zijn grauwe klauwieren, verdwijnen ze hier dan zijn ze in heel Nederland weg. En zo gaat het met veel planten- en diersoorten. De adders in het Haaksbergerveen; het is de gezondste populatie van Nederland. Verdwijnen ze hier dan... vul zelf maar in.

Wanneer je dan ziet wat een inspanning het kost om deze natuurgebieden in stand te houden, dan kun je je afvragen of het nog wel natuur is. En ik realiseer me ook dat het lang niet zeker is dat de dieren en planten die ik nu zag ook door mijn kinderen of kleinkinderen in Nederland gezien kunnen worden. Het is maar de vraag of de interessante postzegels de tijd overleven.

Natuur in Nederland: het is kantje boord!

Genoeg geschreven voor vandaag. Ik ga opzoek naar nachtzwaluwen. Een ding mag ik u niet onthouden. Het is misschien wel het bijzonderste dat ik gezien heb. Ondanks de vele uren die ik aan de waterkant heb doorgebracht had ik zoiets nog nooit gezien. Het was praktisch windstil. Ik was bezig de weerspiegeling van wolken in een vaart te fotograferen toen stak een briesje op en ontstond er voor de ogen van Bonny en mij een heuse waterhoos. Hij werd hooguit een halve meter hoog maar ging zeker een minuut lang heen en weer van de ene naar de andere oever. Alsof de watergeesten een ruig feest aan het houden waren. Ik heb dit uitzonderlijke fenomeen gefotografeerd. Het is nu afwachten of de dia's gelukt zijn.

In een dörpke hier houden ze het w.k. Heuivörk gooien. Is dat ook niet een idee voorde Eldense dag?

Deel 2. 

Vikingen en Jaegersborg

Na de geslaagde tijd in Nederland werd het tijd voor het tweede doel van de reis: de Vikingen. Als eerste moest ik daarvoor naar Schleswig of naar Haithabu (Hedeby) zoals de Vikingen het destijds noemden. De grootste plaats van Noord-Europa in die tijd.

Ik gaf daarom maar eens flink gas en reed het voor mij ongekende aantal van 163 km! De inzinking zou de volgende dag komen. Mijn benen wilden nog wel maar mijn kont! Toch doorgezet en 143 km bij elkaar gesprokkeld. Tijdens deze tocht vielen me een aantal dingen op: voor de rivier de Weser (boven Meppen) staan heel veel Christus kapelletjes langs de weg. Ik wist niet dat ze dat daar hadden. Steek je die rivier over tot aan de Elbe dan kom je veel hoge versierde palen met een kerstboom daar bovenop tegen. Dat lijkt me toch meer een Heidens gebruik. Het landschap was niet echt boeiend. Ik noem het maar een grootschalig agrarisch landschap. Wel veel doodgereden dieren op de weg, onder andere een eens prachtige kerkuil. Veel bijzondere dieren heb ik niet gezien: wezel of hermelijn, buizerds, twee blauwe kiekendieven en een enkele ree. Ook heb ik gezien hoe ze die turfblokken maken die je bij Intratuin kunt kopen. Eigenlijk net als die veenarbeiders vroeger maar dan met machines. En gelijk dringt zich dan een gewetensvraag op: moet je die turf wel gebruiken? Het wordt tenslotte wel grootschalig uit de natuur gehaald en ik had net in Nederland gezien hoe mooi een veenmoeras kan zijn...

Goed, ik stak de Elbe over. Bij de aanlegsteiger kreeg ik een bonus: kluten, bergeenden en wintertalingen. Overigens stond daar ook een bord. De mensen daar wilden niet dat door EU regelgeving het aangrenzende natuurgebied wordt uitgebreid. Die tendens bespeur ik steeds vaker. Ook bij het Bargerveen bijvoorbeeld. Staatsbosbeheer koopt daar nog steeds gronden aan. Iets wat de mensen daar ook niet helemaal lekker zit. Nu zal het ze niet om de grond te doen zijn maar het zijn de verboden die volgen. Je mag bijvoorbeeld niet paardrijden in het Bargerveen. Iets wat daar prachtig kan, lijkt mij. Zo maak je je als organisatie niet echt geliefd bij je buren. En als bij boeren de naam Natuurmonumenten valt zitten ze al gelijk op de kast.

Aan de overkant van de Elbe waan je je al een klein beetje in Denemarken. Het heuvel op, heuvel af rijden begint zonder echt lastig te worden. Lastig is wel mijn aanhoudende hooikoorts. De pillen en sprays helpen wel, maar de hooikoorts alleen is al een goede reden om volgend jaar weer naar IJsland te gaan.

Na 98 km sta ik vrij onverwacht voor het Vikingenmuseum. Ik heb er niet eens naar hoeven zoeken: een wonder, want de bewegwijzering voor fietsers is in Duitsland compleet hopeloos. Ze gebruiken daarvoor witte bordjes met groene letters en dat gaat zo: plaatsje huppelpup 10 km, 10 minuten later het volgende bordje plaatsje huppelpup 11,5 km (en dat niet één keer). Tja. Of op het volgende bordje staat huppelpup helemaal niet meer. Ik heb het maar opgegeven, die bordjes brengen je op zijn minst net op een plek waar je niet wezen wilt, en ben op kompas gaan fietsen. (Tussen Weser en Elbe zijn stukken waar de bordjes wel kloppen.). Dat werkt heel redelijk en gaat zo:
In het centrum van een plaats kijk ik op mijn grove kaart en zie dat het volgende dorp noordoost ligt. Dan kijk ik op het kompas en pak vervolgens de weg uit het plaatsje die het meest noordoostelijk loopt. Tussentijds controleer ik natuurlijk wel even of de weg dezelfde richting op blijft gaan! Moet ik corrigeren dan kom ik op de meest krankzinnige karrensporen terecht waar beslist geen andere toerist komt. Het werkt doorgaans goed en dat is ook wel logisch als je ervan uitgaat dat er tussen twee dorpen vroeger een zo kort mogelijke weg is aangelegd. Maar er zijn uitzonderingen vooral bij nieuwbouw. Test het maar een keer uit als je op de brink staat en je wilt naar Arnhem, Huissen, Elst, Driel of zelfs Heteren. Zo werkt het in het buitenland ook.

Voordat ik in Schleswig was moest ik door de stad Rendsburg. Ik stond voor zo'n bewust groen/wit bordje en dacht: nu maken ze het echt te bont. Centrum 1,5 km (of zo) en op dezelfde paal (ander bord) centrum 5,5 km. Die van 1,5 was natuurlijk het interessants, maar die wees helemaal nergens heen... Toch, gingen twee fietsers die kant uit. Nieuwsgierig volgde ik ze. Ze stopten bij een gebouwtje. Dat bleek een lift te zijn voor fietsers! Met de lift naar beneden, dan fietste je door een tunnel onder de rivier door - stond niet op mijn kaart - en aan de andere kant ging de lift omhoog. Zo, ik was in het centrum.

Vlak voor het Vikingmuseum zag ik verscheidene reeën Ze leken niet bang. Dus er zat wellicht een foto in. Eerst liep ik zonder toestel naar een reebok toe. Dat lukte wonderwel. Ik besloot de fotorommel van de fiets te halen en het lukte ook redelijke dia's te maken. Wie had gedacht dat ik ooit nog een acceptabele ree-foto zou maken? Herten, wilde zwijnen en reeën boeien me niet zo. Ik wil daar dus wat betreft fotografie niet veel tijd in steken. En deze keer zat het mee.

Veel natuurfotografen menen dat de mooiste foto's van dieren gemaakt worden als de dieren zonder dat ze jou opmerken gefotografeerd worden. Daar ben ik het maar ten dele mee eens. Ik vind het juist prachtig om te zien hoe dieren op mij reageren.

De reebok voor me graasde rustig door. Daar zat geen mooie plaat in. Ik drukte af in de hoop dat het dier zou reageren op de klik van mijn sluiter. Dat gebeurde. Hij hief zijn kop omhoog en keek onderzoekend rond. Dat was al beter. Klik. Nu keek hij in mijn richting. Klik. Nu werd hij nerveuzer en... nieuwsgieriger! Hij drentelde wat en kwam dichterbij. Klik, klik, klik. Stokstijf bleef hij staan. Mij recht aankijkend. Dit moest mijn foto worden. Klik, klik, klik. Pas toen ik - per ongeluk - met mijn knie een onverwachte beweging maakte verdween hij blaffend en met grote sprongen. Een meevaller.

Nog een meevaller. Na twee nachten in het bos, vond ik een camping precies tegenover het Vikingmuseum. Na een nachtje kan ik zeggen: "Als je van de herrie van razend verkeer en mensen houdt, dan zit je daar goed. Ik ga het bos wel weer in met zijn vogels....."

Bij een stoplicht leg ik mijn hand op de knop om groen licht te krijgen, begint dat ding ineens als een gek te trillen. Wat? Een knop voor blinden. En zo maak je wat mee.......


Het Vikingmuseum bij Schleswig
Het was me om de runenstenen te doen. Daarvan hadden ze er vier, maar geen van allen echt geschikt voor mijn doel. Ik moest daarvoor stenen hebben die mooi waren geïllustreerd zoals ik ze uit Zweden kende. En op deze stonden alleen maar letters. Dus viel het achteraf ook wel mee dat ik in het museum geen statief mocht gebruiken. Op mijn vraag: waarom niet? gaf de suppoost in eerste instantie geen antwoord. Ik vroeg het hem nog eens en toen kwam de kreet ‘regels zijn regels'. Sukkel. Als je niet weet waarom, verbiedt het dan ook niet. Of verontschuldig je dat je het niet weet. Nu doet die kreet weer teveel denken aan dat andere bekende gezegde waarmee ze de oorlog wilden goedpraten.

Het museum is voor degenen die een klein beetje in Vikingen geïnteresseerd zijn - en wie in Elden is dat niet als je weet dat een dorpje nog geen drie kilometer van Elden vandaan ooit door Vikingen is overvallen en spoorloos is verdwenen - zeker goed voor een ochtendje plezierig tijdverdrijf.

Ondertussen kraakte mijn fiets al een tijdje ergens in het krankstel. Ik kon er maar niet achter komen wat het was. Ik had niet het idee dat het ernstig was, maar het werkte ontzettend demotiverend. Al dat gekraak en gesteun; de fiets, had het kennelijk moeilijk en dat werkte psychisch door op mij. Het ging met mij niet moeizaam als je naar de gereden kilometers keek, het gevoel had ik echter wel.

Het thuisfront gebeld: "Wat kon dat gekraak toch zijn?" Misschien een drooglopend lager? Ik haalde de kettingwielen eraf, gooide een flinke scheut olie op het lager. Even leek het bij de test goed te gaan... De volgende dag kr, kr, kr, krak. Zo zou ik de Noordkaap nooit halen (al is dat ook niet echt een doel). Als ik dat geluid nog eens 4000 km moest aanhoren dan werd ik gek.

Ik reed Denemarken binnen en het oogde gelijk een stuk vriendelijker. Hoe dat komt weet ik niet maar het is net alsof er een soort rust over je neerdaalt. Rust in de tent in het bos en zware regen. Rond twaalf uur de volgende morgen klaarde het op en na de eerste omwentelingen op weg naar Jelling, bemerkte ik de afwezigheid van de geluidhinder. Wat olie niet voor elkaar kreeg deed een plens water wel (en het gaat nog steeds goed).

In Jelling staan bij de kerk twee runenstenen en ook al interesseren Vikingen je geen bal, voor de grote steen moet je een omweg maken. Die is wel zo prachtig gedecoreerd. Nota bene met een Christus figuur erop - met gespreide armen, zonder kruis - als een soort Vikingen hoofdman. (Als ik dit schrijf heb ik inmiddels 28 stenen gezien, eigenlijk allemaal zonder versieringen.) Helaas zijn de figuren wat weggesleten / vaag geworden, waardoor het fotograferen wat lastig werd.

In Jelling stond ik trouwens op een camping naast een spoorbaan, mijn eigen Betuwelijn, ik zoek ze wel uit.

De volgende steen op het lijstje was de Glavendrupsteen op het eiland Funen. Het Funen met zijn mooie vakwerkhuizen. Zo zoetjes aan begin ik me af te vragen of Denemarken überhaupt wel natuur heeft. Het is best aangenaam om hier te fietsen: het ziet in ieder geval groen op de velden met graan. In de struiken zingen de geelgorzen, en boven het koren jubelen veldleeuweriken. Klinkt best goed. (Ik schrijf dit op de veerboot naar Oslo.) Maar het werd ontzettend saai, want dit was echt het enige dat aan natuur deed denken. Dit land is echt 100% gecultiveerd en dat kan ik zeggen omdat ik heel Jutland, Funen en een flink stuk van Sjaelland gezien heb. En ook nog met een Deense natuurfotograaf gesproken heb (komt later nog). Wat betreft de leeuweriken en geelgorzen: ik durf te wedden dat er vroeger nog veel meer zaten.

De Glavendrupsteen met de langste runeninscriptie van Denemarken, bruikbaar voor mij was ie niet echt. De plaats waar ie stond had echter wel sfeer. Ik had mijn tentje op een grasveld in de buurt van de steen gezet. In de ochtend genoot ik mijn ontbijt op het bankje naast de steen. Hier heerste een serene rust. Een stilte en atmosfeer die je vroeger ook bij het Westerveld op de lange steiger had. Je kunt hier gewoon zitten genieten. Plots stuitert er een ondermaatse teckel voorbij. Een hermelijn (nieuw) met zijn dikke zwarte pluimstaart springt / rent argeloos een paar meter bij me vandaan het grasveld over. Een mooi stukje Deens natuur, net als die ree met haar drinkende jong die ik op een stil plekje - ben ik verdwaald of niet - betrapte. De bewegwijzering in Denemarken met tientallen fietsroutes is overigens oké.

Funen herbergt ook het Ladbyskippet. Als je in de buurt bent: zeker even langs wippen. Het is een Vikingen scheepsgraf, dat is opgegraven, maar dat nog wel op zijn plek ligt. Daaromheen hebben ze een hele kelder gebouwd. Je bent dus niet in een museum maar echt op de plek zelf. Al vraag ik me af: "Wanneer laten archeologen die graven nu eens met rust?" Die mensen zijn niet begraven met de gedachte later ooit weer opgegraven te willen worden. Hoe je het ook went of keert, het blijft een soort ontheiliging. Maar in de naam der wetenschap mag heel veel.

Brood gekocht. Het was nog geen derde van de Waldkorn van Henk van Biesen en het was twee keer zo zwaar. Deens brood en het was lekker.

Tijdens mijn speurtocht naar runenstenen - de uiterst vriendelijke mensen bij het Ladbyskippet wezen me er een paar - kwam ik meestal bij kerkjes terecht. Dat heeft zijn redenen. De Deense kerkjes zijn meestal van rond 1200 dus net na de Vikingentijd. In die kerken werden vaak runenstenen als bouwmateriaal gebruikt. Bij een renovatie komen die weer aan het licht en vinden ze een plaatsje op het kerkhof of in het halletje van de kerk.

Wat me in die kerkjes op viel - en volgens mij is me dat ook in IJsland opgevallen (ik word ook een jaartje ouder) - zijn de scheepjes die daar hangen. Een model van een schip hangt middenin de kerk. De vrouw van de dominee aldaar kon me niet vertellen wat de symboliek hierachter was (foei).

Op naar Sjaelland. Ik moest de Grote Belt over. Makkelijk ze hadden net een nieuwe brug gemaakt. Wist ik veel dat je daar niet met de fiets overheen mocht. Dat moest dus met de trein.

Denemarken is een heel aangenaam land. De politie neemt nog de moeite om je na te schreeuwen als je door het rode licht rijd; ik versta hem toch niet, en iedereen stopt voor het zebrapad (behalve in Kopenhagen). Het is echter te braaf en zo langzamerhand dodelijk saai. Heb ik dan helemaal niets gezien? In al die kilometers heb ik - en ik heb ontzettend goed mijn best gedaan - gezien: man bruine kiekendief, drie reeën, soort marterachtige (steenmarter?) bij de haven van Kopenhagen!, eekhoorn, vos met jong, nog een marterachtige, dodaars en een nachtvogel die een kwakend geluid maakt kwôk kwôk gevolgd door pieeft. Wat kan dat nou zijn geweest? Je ziet geen bloemen, vlinders, libellen of zelfs maar buizerds.

Roskilde bracht me naar het Vikingenhuset - heengaan als je in de buurt bent - en het Roskilde museum (geen must). Beide zonder runenstenen.

Op naar Kopenhagen. Het nationaal museum heeft 13 runenstenen. Deze 13, plus die van Jelling en je hebt het kaf van het koren gescheiden. Wijs geworden in Schleswig wurm ik me onopvallend langs de suppoosten. Stel dat ik ook hier geen statief mocht gebruiken! Na 8 van de 11 interessantste stenen (die andere twee waren sowieso onbruikbaar) helemaal gedaan te hebben: "Je mag hier geen statief gebruiken, hoor." Dat waren dus acht gewonnen stenen. "En je mag ook de spotjes niet afdekken, hoor." Ach, als je dan toch bezig bent... Die andere stenen heb ik waarschijnlijk ook wel goed op dia staan, het kost alleen wat meer moeite. En waar komt die statieffobie vandaan? Ben benieuwd hoe dat straks in Oslo gaat. Daar heb ik ook nog twee musea te gaan.

Dit museum is trouwens prachtig. Zoveel ontheiligde graven als ze hier hebben, tot aan eiken houten boomstamgraven toe. Net op dit moment, en dit is echt een aanrader, hadden ze een tentoonstelling van de 100 mooiste foto's van National Geographic. Als je maar iets om fotografie geeft en hij is in Nederland, dan moet je erheen. Ervaar de kracht van het bevroren beeld. Ik viel met mijn neus in de boter.

Ik boekte de dure, maar achteraf gezien zeer luxe overtocht, naar Oslo. En wat had Kopenhagen nog meer? De schooljeugd was geslaagd en reed luid toeterend met tractoren of open vrachtautootjes rond. Natuurlijk met hun malle petjes op. Op 21 juni vuurwerk en feest. De kleine zeemeermin met busladingen vol Japanners, ongelooflijk. En bovenal Jaegersborg.

Jaegersborg
Ik ben geen hertenfotograaf, dat had ik al geschreven, maar de herten van Jaegersborg die moesten het einde zijn; en het makkelijkst te fotograferen. Dan wil zelfs ik wel een poging wagen.

Jaegersborg is onder natuurfotografen in Nederland een begrip. Nergens in Europa zijn de herten zo groot, mooi en met enorme geweien. Dat klopt allemaal als een bus. De herten zijn absoluut niet moeilijk te vinden, redelijk makkelijk te benaderen, maar net niet goed genoeg voor een fotograaf, die bovendien nog voor andere problemen wordt gesteld.

Een ander attractie van Jaegersborg zijn de enorm oude bomen. Echt reusachtige beuken die van ouderdom letterlijk uit elkaar vallen en eiken waar je zowat omheen moet fietsen - zo dik!

Ik heb het plaatje al in mijn hoofd. Een koninklijk hert poserend voor een heilige eik. Prachtig! Echter, zo werkt het ook hier niet.

De problemen daar: een golfbaan, veel hekwerk om de jonge aanplant tegen de vraatzucht van de vele (teveel) herten te beschermen, overal wandelpaden, teveel herten tegelijk in beeld (eerder 30 dan 10), en dan natuurlijk het fenomeen: het ontbreken van struikgewas en je kunt tot op herthoogte dwars door het bos / de bosjes kijken. De rest is opgevreten! Dus een ‘natuurlijk ogende' hertenfoto maken is hier nog niet zo makkelijk. Het kan wel, al is het mij waarschijnlijk niet gelukt.

Wat bij mij nog het beste werkte was om met het statief in de hand in vol ornaat met de camera klaar op de mountainbike gezeten er redelijk snel recht op af te fietsen, het statief naast je neer te zetten, zelf op de fiets te blijven en dan klikken. Vaak bleven de herten nieuwsgierig staan kijken en liepen ze pas na een minuut verder om weer in die denkbeeldige veiligheidscirkel te komen.

Sluipen werkte absoluut niet. Ze waren met meer en hebben betere zintuigen en zodoende zagen ze me aan voor een roofdier. En ik had niet de tijd hun vertrouwen zodanig te winnen dat ze me binnen hun veilige cirkel lieten.

In de herfst als de herten paren en het burlen begint moet het hier prachtig zijn. Ik sprak erover met de plaatselijke natuurfotograaf die bezig is met een boek over dit natuurgebied (waar ken ik dat meer van?). Je kunt de mannetjes herten dan zo tot op 25 meter benaderen. Dichterbij kan... je loopt alleen het risico dat je aangevallen wordt. Zeker vijftig fotografen met enorme lezen staan zich te verlekkeren als twee herten zich vol overgave op elkaar storten. (U weet nu dus ook waar de mooie hertenplaatjes uit de tijdschriften vandaan komen, echt niet van de Veluwe.) Over twee jaar in de herfst ben ik erbij, dat heb ik al met die fotograaf afgesproken. Dan laat hij me gelijk de duizendjarige eik - nog, nog, nog imposanter dan die reuzen hier (400 jaar) bij Jaegerspris - zien. (Ik ben op het Jaegersprisslot geweest voor drie runenstenen en wist natuurlijk weer niets van die boom die daar maar tien kilometer bij vandaan staat.)               

Ronduit ontluisterend was de uitspraak van de fotograaf: "Ja, eigenlijk is dit (Jaegersborg) het dichtste wat in de buurt van een nationaal park komt, wat we in Denemarken hebben." Je zult er maar natuurfotograaf zijn! Het park en de opzet ervan vind ik trouwens heel oké.

Gelukkig ben ik over een paar uur in Noorwegen. Dan kan de sensatie weer beginnen. Ik heb in ieder geval zo goed als 1800 km getraind. En daarom heb ik Zweden maar lekker rechts laten liggen.


Deel 3.

De tijd met Bonny

Oslo
De veerboot van Kopenhagen naar Oslo: ‘Pearl of Scandinavia' was een complete ‘Loveboat' met zwembad en hot-tubs aan toe. De mooiste veerboot waar ik op heb gezeten.

Al die runenstenen, maar wat staat er eigenlijk op? Nou, dat is een vrij standaard verhaaltje: De naam van de oprichter, de naam over wie het gaat, hun onderlinge relatie, de familie situatie van de dode en zijn plaats in de maatschappij, een vermelding van een eervolle daad, een vermelding van zijn doodsoorzaak / omstandigheden. En eventueel: de naam van de maker van de runen; een vloek tegen vernielers van de steen; een eerbewijs aan Thor; en na de invoering van het Christendom; een gebed voor de ziel van de dode.

Enkele voorbeelden van runensteen teksten:

*    Thorger de zoon van Toke, plaatste deze steen ter herinnering aan Mule zijn broer, een erg goede legeraanvoerder.

*    Ragnhild, de zus van Ulv plaatste deze steen en maakte deze (graf)heuvel - en dit stenen schip - ter herinnering aan Gunulv, haar man, een ‘clamourous' man, zoon van Naerve. Weinig zullen er nu geboren worden die beter zijn dan hem. Mag hij een ‘raete' worden, die deze steen beschadigd, vernietigd of wegsleept hiervandaan.

De hereniging met Bonny verliep vlekkeloos, ondanks dat het vliegveld van Oslo 50 km buiten de stad lag. Gelukkig reden er volop bussen en had ik een mobiele telefoon. We bezochten drie musea en het Vigeland Beeldenpark. In de musea werd al snel duidelijk dat de truc van Kopenhagen niet zou werken. Het barstte van de suppoosten. Geen statief dus. En toch kregen we de suppoosten in het Vikingschepen museum flink zenuwachtig. Ik had namelijk mijn flitser los gehaald van de camera en verbonden met een kabel zodat ik met behulp van Bonny die de flitser vasthield, vanuit ieder gewenste richting kon flitsen. Zoiets hadden ze kennelijk nooit eerder gezien!

De belangrijkste reden om de flitser los te halen van de camera was dat veel voorwerpen in vitrines lagen. Door onder een hoek (van in dit geval) + 30 graden in de ruit te flitsen voorkom ik weerspiegeling en weerkaatsing van het licht. (werkt ook om rode ogen te voorkomen) Nu maar afwachten of de dia's zo goed zijn als in theorie zou moeten.

Het Historisch museum (gratis) is de moeite waard. De vier runenstenen waren niet echt geweldig, maar de originele bewerkte deurstijlen van oude staafkerken wel. Het schijnt dat de kennis en kunde van het houtbewerken dat de Vikingen zich eigen hadden gemaakt een climax vond in de bewerking van deze deurposten.

Het Noorse Volksmuseum (openlucht museum) vond ik op de staafkerk na niet boeiend.

Het Vikingschepen museum is geweldig. Daar kunnen de schepen in Roskilde absoluut niet tegenop.

Het Vigeland beeldenpark is groots, maar mij deed het niet veel.


Muskusossen op de Dovrefjell
We verlaten de chaos van Oslo - man, wat een lelijke stad - per trein en gaan naar Hjerking. Het reserveren van plaatsen voor ons en onze fietsen ging maar net. Volgens de computer zat alles nagenoeg vol. Echter in die vierenhalf uur die we naar het noorden reden bleek de trein zo goed als leeg! Lang leve de computer.

Het landschap dat aan ons voorbij trok was niet uitzonderlijk. Pas toen we onze bestemming naderden en we op de hoogvlakte van Dovre kwamen, werd het interessant. In Hjerking raapten we onze omgevallen fietsen op - vastzetten de volgende keer - en fietsten de 12 km naar Kongsvoll dat onze uitvalbasis werd om de muskusossen te zoeken.

De muskusossen (de enige plek in Europa waar ze voorkomen) zijn kort na WO II vanuit Groenland hier uitgezet. Het schijnt dat in de Vikingentijd de dieren in Noorwegen al waren uitgestorven. Ze doen het goed. Handhaven zich moeiteloos en het aantal breidt zich uit. Het schijnt dat er zelfs dieren naar Zweden zijn gewandeld. Daar lijken ze zich toch niet te kunnen handhaven.

Vol goede moed klimmen we naar boven (hoogveenglanslibel; nieuw). Een beetje angstig lopen we tussen de berken omdat we ieder moment een os verwachten en volgens de bordjes zijn ze niet geheel ongevaarlijk (aanbevolen afstand minimaal 200 meter).

Boven de boomgrens doet het landschap IJslands aan. Weids en vol fel gele en groene kleuren van mos en korstmos. En geen muskusos te bekennen. Zelfs niet met de verrekijker, terwijl we het park goed kunnen overzien. Ach, je kunt niet altijd mazzel hebben. Na vele uren wandelen nog steeds geen os te zien. Het is dat we opgedroogde keutels vinden, want anders...
Helemaal op het eind van de dag en geen pad meer te bekennen zie ik met de verrekijker tegen een berghelling acht bewegende stipjes. Ze zitten er dus toch. We waren te vermoeid om het hele eind nog naar die berg te lopen en besloten de volgende dag een nieuwe poging te ondernemen.

Vlakbij het pad naar beneden stapten we boven op een familie moerassneeuwhoenders (nieuw). Verdraaid goede schutkleur. Pa viel me aan, terwijl ik mijn best deed het fototoestel klaar te maken voor actie. Een meevaller aan het eind van deze slopende en snikhete dag. Verkoeling en verfrissing vonden we in het beekje beneden, vlakbij onze tent. Heerlijk om al dat zout van je lichaam te wassen. Alleen die muggen, ze werden irritant.

Wederom vol goede moed beklommen we dat ellendig lange en steile pad naar boven. Op naar de berg waar we ze gisteren zagen. In geen velden of wegen te bekennen.. "Daar, drie stuks aan de overkant," zei Bonny. Inderdaad, drie minuscule stipjes - met de verrekijker - tegen een andere helling. Nu was het alleen nog een kwestie van erheen lopen. Onderweg. Hé, een leuk bloemetje, even een foto maken. Terwijl ik daar mee bezig was, liep een groep wandelaars richting ‘onze' drie ossen, die in het niets verdwenen. Wat nu? Laten we die acht van gisteren maar gaan zoeken. Wij sjokten terug. Zo langzamerhand balend en vol ongeloof dat we ze niet konden vinden. Zonder spullen rende ik de berg op om van bovenaf snel te kunnen zien of er überhaupt wel een os bij ons in de buurt was. Een uur later, - zonder succes - kom ik terug bij Bonny. Zij had meer geluk. Op dezelfde berg als van die ochtend, maar meer naar links, bevonden zich twee kleine zwarte stipjes en een kudde wandelaars. We liepen de ons inmiddels bekende weg. Toen... We struikelden over een familie morinelplevieren (nieuw). Familie is niet helemaal het goede woord want pa plevier doet de opvoeding. Vele ‘ongetwijfeld' prachtige dia's later gaan we definitief op weg om onze ossen te scoren. Ze stonden er nog toen we vertrokken... Onder aan de helling passeerden we de andere wandelaars, die hadden de buit binnen en wij begonnen aan onze zoveelste klim.

Verrek, ze zijn verdwenen, hoe kan dat nou? Opgelost in de lucht. Vermoeid en wanhopig bespraken we onze pech. Ik ben toen zonder spullen vooruit geklauterd om ze op te sporen. Veel hoger ging mijn wens in vervulling. Met mijn eigen ogen zag ik negen muskusossen (nieuw). Snel haalde ik Bonny en of de duivel ermee speelde: daar stonden ze toch? Hoger en hoger gingen we. Gelukkig daar stond er een, en nog een, en zagen we er verschillende. Nu wilden we alleen nog wat dichterbij en daarvoor kozen we een strategie.

Muskusossen op de Dovrefjell zijn wat anders dan de herten op Jaegersborg. Neem alleen al de inspanning om ze te vinden! Daarbij: herten lopen weg als je te dichtbij komt. Muskusossen niet: die vallen je aan. In de boekjes staat dat ze de afgelopen jaren twee toeristen hebben gedood. Als dat nog niet genoeg is, die dieren zijn zo ontzagwekkend imponerend (prachtig) dat je niet eens in de buurt wilt komen. Zeker niet als je net als ons geen ervaring met deze dieren hebt.

Goed, ze leken een kant op te trekken. Met een kleine omweg probeerden we ze te onderscheppen. Daarbij struikelden we weer over een morinelplevier. Eerst leek het erop alsof we ze weer kwijt waren. Toen kwam er een aangesjokt. Onze richting uit en vonden we opeens dat we akelig dichtbij waren. Toen verscheen er nog een. ‘Gelukkig' verdwenen ze achter een richel. Maar waar waren die andere zeven?

Ik wilde een paar redelijke foto's maken en trok er alleen op uit. Ik zag er geen... tot ik voorzichtig over een glooiing keek. Ik stond zo goed als oog in oog met een aantal ossen waaronder de big boss. Dat was veel te dichtbij en onzichtbaar achter de glooiing trok ik me terug. Ik wuifde Bonny dat ik ze gevonden had en we zochten een veilige plek om ze te bekijken. Het waren en geen negen. Het waren er vijftien!!! Een groep met een leider, wat een Brutus, vrouwtjes en jongen. Met jongen erbij is het natuurlijk helemaal oppassen. Ze lagen lui, languit in de sneeuw te rusten.

Bonny had haar verjaardagscadeau, onze uitputtende zoektocht kende een fantastische ontknoping en ik voelde de sensatie om ‘gevaarlijke' dieren te fotograferen. Want vanzelfsprekend wilde ik steeds dichterbij. Bonny dacht dat mijn laatste dekking een stuk dichterbij de ossen was dan vijftig meter. Verder durfde ik niet, niet bij zo'n groep met jongen.

Voldaan stond ik iets te vlug op. Als op commando stond ineens de hele kudde. Voor de zekerheid ben ik een eind weggerend. En tot onder aan de helling bleef Bonny achteruit kijken. Het was een prachtige dag. En ik ga sparen voor een 600 mm lens.

Om ons succes en de verjaardag te vieren zijn we gaan eten in het hotelletje in Kongsvoll. We hadden geluk dat we precies om etenstijd van de hotelgasten aankwamen anders hadden we het wel kunnen schudden. Het was lekker, maar weinig zodat ik hem al aan voelde komen. De rekening was absurd (inclusief kamer?). Voor dat geld kun je in Nederland zeker drie keer uitgebreid gaan eten bij Amigo's. Ik at in de tent nog maar wat cruesli.

Naar het noorden
Toen leek het echte fietsen te beginnen voor Bonny. We gingen richting Trondheim, over de E6 omdat het de enige weg is die daar loopt. Ik neem aan dat het bekend is bij Noorwegengangers maar als je iets van het land wilt zien moet je zo min mogelijk over 's lands belangrijkste weg - de E6 dus - rijden.

Maar wat een planten we daar in de berm zagen.. Ongelooflijk, en voor ons totaal onverwacht, eerst muggenorchissen in vol ornaat. Verderop. Honderden, duizenden(?) andere orchideeën - waaronder nachtorchissen - en ze stonden allemaal op hun mooist. (Begin juli is dus een goede tijd om bloeiende planten en vlinders in Noorwegen te zien.) Heel frustrerend was dat ik ze niet kon fotograferen, dankzij het voortrazende verkeer. Ik was blij dat we eindelijk van die ellendige E6 af konden al was het tot nu toe een grote afdaling.

Ik doe mijn best om libellen te vinden, maar vind ze nauwelijks. Misschien vonden we een eenzame heide-orchis (zou dan een nieuwe soort zijn) in een stuk veen. Zeker vonden we een nieuwe Epipactus (orchidee) soort: een paarse.

Op de campings die we aandoen staan verder geen buitenlanders, een teken dat we op de goede weg zijn. Al kun je camping Svorksjoen maar het beste links laten liggen: 1 douche en 1 wc voor tig honderd campinggasten. En voor de douche moet je nog een flinke stuiver betalen ook, mannen twee keer zoveel dan vrouwen.

De muggen van de hoogvlakte zijn we kwijt, maar gaandeweg worden vliegen heel irritant tijdens het bergop fietsen. Proefondervindelijk vastgesteld dat vliegen niet sneller kunnen dan 20 km per uur. Zo snel klim ik echter niet.... bij lange na niet zelfs. Er bestaan beestjes die nog een factor 100 keer zo vervelend zijn. Na ons gedenkwaardige avontuur in Schotland hoopte ik ze nooit meer te treffen. Helaas, ze zijn terug... De kleine bijtende monstertjes en dit keer zijn ze met miljoenen: Midges, een soort mini vlieg/mug. Het enige dat ons nu red van de rode plekken is een goede tent. In Schotland hadden we die niet... en zijn we midden in de nacht op de vlucht geslagen. De hooikoorts lijkt weer voor een maand of tien voorbij.

Inmiddels waren we Trondheim voorbij. Het leek daar een stuk mooier dan in Oslo. Maar ik denk dat we er nog geen drie uur zijn geweest. Eerst om bij het toeristenbureau de terugreis van Bonny verder te regelen, daarna om de kathedraal, mooie voorkant, te bezichtigen en toen om te snacken bij Mc Donalds. (Ik weet het, het is een zwakte van ons.)

De dagen rijgen zich aaneen zonder al te spectaculaire zaken. Voor Steinkjer heb ik in een 800 jaar oud kerkje de ‘demonen' koppen op de steunbalken gefotografeerd. Schijnen vrij bijzonder te zijn. In Steinkjer namen we samen een gigantische pizza. "Ach, doe die van 40 cm maar." Lekker en betaalbaar. Die dag in een veld hadden we weer onweer. Hier ontdek ik eindelijk wat waterjuffers, geen bijzondere soorten. Wel vliegt er een enorme echte libel over. In de vlucht kon ik hem helaas niet herkennen. Ik kom met mijn libellenliefde niet aan mijn trekken, ondanks het prachtige weer.

Zowaar, Bonny scoort haar eerste eland (ik had ze op onze Noorse Harley-vakantie 5 jaar geleden al gezien). Hij keek ons schaapachtig aan en liep toen wiegelend weg. Ze zitten er dus toch nog, maar zelfs wij, op onze stille fietsen en kleine weggetjes zien verrekt weinig dieren. Net als dat we weinig vogels zien. (kramsvogels, bonte kraaien, sijsjes, wulpen, diverse meeuwen, scholeksters, prachtige goudvinken, raven, het gewone spul) Wat dat betreft is Nederland zo gek nog niet. Praat je echter over puur natuur dan is duidelijk dat Nederland straatlengtes achterligt. In tegenstelling tot de fauna is de flora geweldig, heel veel bloemen. Het landschap kan me vooralsnog niet boeien. Dit is niet het Noorwegen waar ik voor kom.

De temperatuur is weer buitenaards als we Namsos bereiken. De tent zetten we op even buiten Namsos aan een fjord: een idyllisch plekje, zwemmen in het koude water (Bonny), pootje baden (Tonny). Opnieuw onweer, een weersomslag?

De volgende dag begon nog goed. Zon, een helling en veel zweet bracht ons dichter bij het eiland Leka waar we een aantal dagen wilden bijkomen. Gaandeweg de route betrekt het. Wolkenvelden afgewisseld met zon. Noorwegen laat zich nu van zijn mooiste kant zien. De weg slingert zich door een buitenissig landschap (kleine fjorden, veel kale rotsen, veentjes, kleine berken, vennetjes). Gecombineerd met het spelende licht brengt het je in hogere sferen. Hier kom ik voor. Hier hangt nog mysterie. Gaandeweg krijg ik zoiets van: ik ken dit ergens van (wegnummer 769 van Namsos naar Lund). Bij het haventje van Lund weten we het zeker: Hier hebben we met de Harley gestaan! En ook destijds heb ik met open mond dit stuk gereden en ook met slecht weer trouwens.

In Hofles waar de veerboot van Lund aanlegt zetten we de tent op. Het fietsen tot nu toe valt mee. Het is lang geen IJsland. Het is alleen zo dat je geen meter vlakke weg hebt. Of je gaat omhoog, of omlaag. Op den duur voel je dat toch wel. Helemaal eerlijk is de vergelijking met IJsland trouwens niet. Het lastigste deel van Noorwegen om te fietsen - het Westelijk fjorden gebied met al zijn grote toeristische attracties en hoge bergen - hebben we wijselijk laten schieten. Dat hebben we vijf jaar geleden al gezien. Met name ik ben hier om het hoge Noorden te zien.

De laatste etappe naar het eiland Leka zullen we niet snel vergeten. Jongens, wat begon het te regenen. Bij een tankstation weer zo'n déja vu: aan die pomp hebben we de Harley gevuld, nu vul ik mijn maag met een ijsje. In het haventje, wachtend op de veerboot, gebeurde een kleine ramp. In het zachte asfalt zakte mijn achterstandaard weg, viel de fiets en brak mijn voorstandaardje af. Heel vervelend want ik kan de fiets nu niet zomaar neerzetten. Op de boot, doornat en in de wind, was het kleumen. Waar ligt die verdomde camping? Nog weer een heuveltje op (van niks). Bij de receptie stond ik te trillen op de benen en Bonny kon nauwelijks nog haar naam schrijven. Ook hier dus afzien!

Leka
Ik heb de fiets maar eens vertroeteld. Eindelijk die twee geknapte spaken vervangen (brengt het totaal op vier; plus twee lekke banden) en de boel eens flink geolied en schoongemaakt. Het standaardje blijkt een moeilijk geval.

Wat Noorse eigenaardigheden:
*    Ze laten overal waar ze met de auto moeten wachten de motor draaien. Als ze even de supermarkt in moeten, voor de veerboot, etc.

*    Overal in de supermarkten staan gokkasten, waarvan veel gebruik wordt gemaakt.

*    De weinige loslopende schapen die we tot nu toe hebben gezien dragen allemaal een bel. Dit in tegenstelling tot IJsland.

*    In de supermarkten staan kleine ‘geurflesjes' whisky, cognac, etc., die ze samen met de thuis gestookte alcohol vermengen zodat je toch het idee krijgt dat je iets lekkers drinkt.

Het landschap op Leka doet denken aan Amerikaanse westernfilms en is op zijn mooist bij helder weer zo om een uur of tien / elf 's avonds. Met zonsondergang kleurt het gesteente aan de westkant echt rood. Voor mijn gevoel ben ik nog een half uur te vroeg gestopt met fotograferen. Op de camping stonden eigenlijk alleen maar vissers (op twee na: Bonny en de professor). Tenminste zo noemden wij hem. Hij zag er met zijn verstrooide uiterlijk echt uit als een professor. Iedere ochtend vertrok hij op zijn fietsje met metalen mandje achterop met daarin een hamertje. Op een avond was ik een vlinder aan het fotograferen, kennelijk zo professioneel dat hij me aansprak en vroeg of ik de blauwe zweem op zijn foto's kon verklaren. We raakten toen aan de praat en hij bleek inderdaad professor - in de geologie - te zijn.

Leka is een vreemde eend in de Noorse, en zelfs Europese geologische bijt. Het gesteente complex dat hier aan de oppervlakte komt vind je verder alleen in Cyprus, Californië en Oman. Altijd geïnteresseerd in bijzondere stenen wilde ik ook een poging doen het zeldzame serpentine (volgens het toeristenboekje) te vinden. Alleen, hoe zag het eruit? En waar kon ik het vinden? Met een professor geologie, die nota bene onderzoek deed op het eiland (naar processen op de grens tussen de aardmantel en de aardkorst), moest het kunnen lukken. Na een college geologie in zijn hut, in het Engels, maar met mijn geografen achtergrond kon ik het behoorlijk volgen, gingen Bonny en ik de volgende dag op pad en vonden vele interessante stenen die ik ter inspectie voorlegde aan de professor. Ik had precies de goede stenen gevonden! Stenen die in principe het hele ontstaan verhaal van Leka vertellen (waaronder serpentine). Daar ga ik weer met een paar kilo extra (7,5 bleek veel later!). De beste vindplaats voor het zeldzame maar waardeloze groene gesteente is uiterst geheim! Nee dus. Een tip: Ga naar de steengroeve en je struikelt erover. Iedere brok rots met een groene kleuring is oké. (Zoek het dus niet bij de geologiewandeling die is uitgezet.)

Op Leka scoren we de eerste zeearend - heel mooi dichtbij, drie reeën en een haas. Er is ook een grot met 4000 jaar oude muurschilderingen, ongelooflijk dat die de tijd in die vochtige ruimte overleefd hebben! Met moeite konden wij ze met behulp van Bonny's fietslamp zien. Dat had wel iets, maar de volgende keer zal ik de folder beter lezen. We hadden die grote lamp wel gezien. Wisten wij veel dat het de bedoeling was dat je die aandeed.

Van geologie naar oliewinning en de Noorse politiek is maar een kleine stap. Ik heb er met de professor over gepraat. Om te beginnen: dankzij een dronken (dronken gevoerde? Het was bekend dat hij alcoholist was) Deense minister werd de grens tussen Noorwegen en Denemarken zo getrokken dat de belangrijkste olievelden nu in Noorwegen liggen. De grens is onlogisch getrokken vandaar dat je kunt vermoeden dat de Noren meer wisten dan de Denen (Noorwegen is de op een na grootste olie-exporteur ter wereld). Het scheelt de Denen in ieder geval miljarden kronen. Het kapitaal aan olie wordt volgens de professor nu verkwanseld. Er wordt teveel opgepompt en nu voor een relatief lage prijs verkocht. Het geld dat binnenkomt wordt voor een deel belegd en een deel wordt gebruikt om de buitengebieden (de eilanden en het Noorden) bewoonbaar te houden. Met deze districtenpolitiek wil men voorkomen dat alle inwoners naar het Zuiden en naar de steden trekken. Het betekent onder andere het bouwen van tunnels, bruggen, wegen en onderhouden van veerdiensten (naar eilanden met soms maar tien inwoners). Volgens de professor is deze politiek van de zotte. Er is eens uitgerekend dat een veerboot overtocht naar een bepaald eiland 500 kronen per persoon kost. Je betaalt echter maar 20 kronen. De rest wordt door de staat (de oliecenten en de belastinginkomsten van de mensen die in Zuid-Noorwegen wonen) betaald.
Volgens de professor moet je de olie-productie nu beperken en over 30 jaar de olie duur verkopen. Er zit wel wat in zijn verhaal. Wanneer over 30 jaar olie schaars wordt, komt de economie onder druk en worden beleggingen minder waard: daar wordt nu dus een deel van het olie geld aan besteed. Daar komt nog bij dat je over 30 jaar, omdat je eigen bronnen uitgeput raken, zelf olie moet importeren tegen hoge prijzen. Je leidt dus aan twee kanten verlies.
Hoe ver die districtenpolitiek gaat blijkt bij Ornes: daar wordt - geloof of het of niet - een compleet nieuwe kilometerslange weg langs een berg aangelegd voor de woning van een enkele vrouw.

Toen ik later die avond de rode rotsen aan het fotograferen was, raakte Bonny aan de praat met een 15-jarig meisje van het eiland. Ze sprak Bonny aan met de mededeling dat ze niet begreep dat er mensen waren die het verhaal van het 3-jarige meisje en de zeearend niet geloofden. Het verhaal gaat namelijk dat op Leka in 1932 een 3-jarig meisje terwijl ze alleen aan het spelen was door een zeerarend ‘ontvoerd' werd. Het was een zondagmiddag, haar ouders hadden een dutje gedaan en konden hun dochtertje niet meer vinden. Alle bewoners van het eiland hielpen uiteindelijk mee zoeken. Na zowat het hele eiland te hebben gehad gingen twee mannen het hogerop in de bergen zoeken. Op een hoge en hele steile plek vonden ze haar uiteindelijk levend maar wel met sporen van klauwen op haar kleren. Het meisje had nooit, zeker niet in die korte periode dat ze zoek was, daar naar toe kunnen klimmen. Het verhaal is nu dat een zeearend haar gegrepen heeft en op die rots daar heeft neergelegd. Waar of niet... Haar opa en oma hadden helpen zoeken, wij stonden onder aan de plek waar het gebeurd was en zij was bang voor arenden.

Het leven op het eiland vond ze ‘like hell' omdat er volgens haar ‘not a fuck ever happens'. Ze zou blij zijn als ze oud genoeg was om in de stad te gaan wonen. Ik kan ze niet helemaal ongelijk geven.


Naar Lovund
Vanaf Leka hadden we de eer op een spiksplinternieuwe (en grotere) boot naar het vasteland te mogen varen. Vast koren op de molen van de professor.

Onze tocht ging verder richting noorden naar het eiland Lovund (+ 270 km). Het fietsen schoot met twee dagen regen niet op. Na vijf dagen fietsen (en vele veerpontjes later) bereikten we dan eindelijk Lovund. Onderweg lag een botanisch zeer interessant gebied: een eenbes gefotografeerd en keverorchis gezien. Gelukkig krijgen langzamerhand de berkenbomen de overhand op de naaldbomen. Het zijn enorme afstanden, eigenlijk te groot voor de fiets: klap je Noorwegen om dan ligt de Noordkaap in de Middellandse zee. Vijf jaar eerder waren we met de motor ook op Lovund geweest en toen vonden we het een soort droomeiland. Het stikt er namelijk van de papegaaiduikers en we zijn nog nooit ergens geweest waar je zo goed zeearenden kunt zien. Het eiland is eigenlijk een grote berg met aan de voet een dorpje. Rond de top van de berg hangt meestal een nevelring. Deze ring heeft iets mysterieus, wat ook de reden is dat het eiland terugkomt in het kinderboek ‘Roep uit de Kauwenhoek' dat nu bijna af is. (Nog een laatste groep proeflezers neemt het boek door voordat het naar de drukker gaat.)

Aangekomen op Lovund bleek dat het de bewoners goed ging: er werden / waren veel huizen bij gebouwd en het hotel was met een camping uitgebreid. Naast het opnieuw bezoeken van ons droomeiland had onze reis naar Lovund tot doel dat ik de top zou beklimmen en als het even meezat zeearenden te fotograferen. Nadat we onze tent hadden opgezet kookten we eerst zodat we daarna snel naar de papegaaiduikerskolonie konden. Tijdens het eten werden we al meteen getrakteerd op drie arenden. We wisten niet hoe snel we op pad moesten gaan. De volgende dag ging het dan echt gebeuren: de beklimming van de berg. Hiervoor dachten we linksom te moeten, maar daar aangekomen was er geen pad te bekennen. Dit leek dus onmogelijk. Dan maar rechtsom proberen (daar hadden we tenslotte gisteren mensen naar beneden zien komen). Het leek alsof je er gewoon tegen aan kon lopen, maar na 350 meter moest ik op handen en voeten verder. Toen ik na nog eens 150 meter klimmen naar beneden keek had ik zoiets van oei!, dit is echt steil en ben ik even gaan zitten. Na even bij zinnen te zijn gekomen dacht ik dat de top onhaalbaar was, maar dezelfde weg terug trok me ook niet. Uiteindelijk ben ik op mijn kont voetje voor voetje naar beneden gegleden.

's Avonds besloten we lekker luxe in het hotel te gaan eten. Hier hadden ze namelijk een heerlijk ruikend buffet waarvan je zoveel kon eten als je wilde (dat hoefde je die twee hongerige magen van ons maar een keer te zeggen). Ook hier, we waren sinds dat we zo grof  waren afgezet in Kongsvoll al weer vaker uit wezen eten (onder andere Mexicaans zonder bonen!?), was het heerlijk en betaalbaar. Na het eten vroegen we aan het meisje van het hotel hoe het nu zat met het beklimmen van de berg: Was er nu een route naar de top, of niet? Ze vertelde ons dat er linksom een route was, maar of we die ‘please' niet wilden nemen. Er was namelijk een paar weken geleden een ongeluk gebeurd en zij zou zich verantwoordelijk voelen (en niet kunnen slapen) als we deze nu (in de regen / bewolking) zouden nemen. De bewoners zelf ‘liepen' ook wel rechtsom naar boven omdat dit korter was. De volgende keer als we hier terugkomen zal ik het nog een keer (linksom) proberen.

Wat betreft de zeearenden: het Wereld Natuur Fonds had ooit het idee (hoe belachelijk het idee is, zie je als je hier in Noorwegen komt) om zeearenden in Nederland uit te zetten. Ik zie het al voor me: arenden boven de A50 en A12. Dat kan toch niet. Het is net alsof je een wolf ziet lopen bij het Vitesse stadion: allebei misplaatst. Wanneer de zeearend op eigen kracht voor Nederland kiest verklaar ik hem voor gek. Nu verklaar ik de beleidsmakers van het WNF voor gek.

Loodgrijze bergen, een zwart landschap, grauwe luchten, een rauwe wind en koele fjorden met groen / blauw water. Daar horen zeearenden te zweven. Overigens zijn er iedere winter al zo'n stuk of vijf jonge - zwervende - zeearenden boven de Oostvaardersplassen te zien. 


De reis naar Bodo
Eindelijk kwamen we weer fietsers tegen. De dagen met regen namen toe. De route kenmerkte zich door vele veerpontjes en was makkelijk te fietsen. Op de veerboot naar Jektvik staken we de poolcirkel over. Vanaf Jektvik naar de gletsjertong Engabreen troffen we een overweldigend landschap. Zeearenden, grijze kolossen, woeste wachters. Samen met de fietsen vonden we een plaatsje op het relatief kleine bootje, met een behulpzame schipper, dat ons naar de Engabreen bracht. Hier zetten we onze tent neer op het mooiste plekje waar we in Noorwegen tot nu toe hebben gestaan. Vanuit de tent konden we het ons tegemoet stralende blauwe ijs bewonderen. De Engabreen is een schoothondje vergeleken bij de IJslandse pitbull gletsjertongen. Zijn kleur echter vergoedde alles. Om het mooie blauwe ijs te fotograferen moest ik tussen de buien door echter wel voorbij het stopteken. Ik vond de muskusossen dreigender al was het gevaar van afbrokkelend ijs reëel. Toen alsnog de zon doorkwam bleek de regen de kleur van de gletsjertong wel ten goede te komen.

De Engabreen heeft zich teruggetrokken op keihard graniet. Vandaar het heldere ijs en het heldere water dat er onderuit stroomt. Bijzonder mooi zijn de met berken begroeide morenen.

De reis ging verder. Voor Bonny de laatste kilometers voordat ze weer naar huis ging. Bij de veerboot moesten we vier uur wachten. Gelukkig is er altijd wel een aardige Noor in de buurt. Gratis kregen we een twee uur durende rondvaart door de fjorden alvorens we met onze boot verder gingen naar Ornes. Aardige mensen, en de kapitein verliet zijn stuurhut om met ons een praatje te komen maken (af en toe over zijn schouder kijkend of we nog goed gingen) en hij wilde me aan het vissen krijgen. Vissen vangen bleek hier geen probleem zoals een stuntelende (aardige) vrouw bewees (maar waar zijn mijn hengels?). Vanuit de diepte van de fjord jagen de grote vissen de kleine boven water en brengen op sommige plekken het water aan het ‘koken'. Toesnellende meeuwen probeerden een graantje mee te pikken van de boven water springende vissen.

In Ornes wachten we op de Hurtigrute die ons naar Bodo zou brengen (fietsen kon niet vanwege een voor fietsers afgesloten tunnel). De Hurtigrute is de zeer luxe postboot die van Bergen naar Kirkeness (in het uiterste Noord-Oosten) vaart. Deze boot doet dagelijks iedere grote stad aan (er zijn er dus vele) en vervoert ook toeristen. Ons vooroordeel dat dit voornamelijk oude en rijke mensen zouden zijn werd weldra bevestigd. Een varend bejaardentehuis, vol met rijke knauwende Amerikanen. Het slechte weer op de Hurtigrute was slechts voorspel op wat komen zou. In Bodo regelden we Bonny's terugreis naar Trondheim, vanwaar ze naar huis zou vliegen. Het werd vliegen naar Trondheim in plaats van treinen, want dit bleek net zo duur te zijn maar wel negen uur korter te duren. Er blijkt wel een enorm prijsverschil tussen verschillende vliegmaatschappijen te zijn (tip: bij ons was Braathens goedkoper dan SAS).

De volgende ochtend waren we om half vijf op om op tijd te zijn voor de vijf uur durende veerboot oversteek naar Vaeroy (een eiland behorend tot de Lofoten), het laatste eiland van deze reis. Gelukkig (!!!) waarschuwde het meisje van de veerbootmaatschappij dat er een ruige zee was. Toen stond mijn besluit eigenlijk al vast. De wit / groen aangelopen en soms huilende passagiers die van de boot kwamen zeiden genoeg. Aan één van hen vroegen we of het ‘zeeziekweer' was. Hij antwoordde me: "Yes." Het was volgens hem "definitely sea sick weather". Gezien mijn IJslandse zeeziekte ervaring hoop ik zoiets echt nooit meer mee te maken. Vaeroy hebben we nooit bereikt. Ook de volgende dagen niet waarin de wind als maar in kracht toenam en de regen bleef plenzen. We vermaakten ons met winkelen, een bezoek aan de bioscoop en een aan het luchtvaartmuseum. Ook de plaats van de camping is goed gekozen. We hebben nu ons eigen Schiphol naast de deur.

Wanneer stopt het met regenen...?

Deel 4.

DE HEL NAAR HET NOORDEN

De opzet van dit artikel is iets anders dan de ‘verhalen' die u van mij gewend bent. Dit zijn meer korte notities van dag tot dag. Ze geven een beetje inzicht in de kosten die ik maak en de afstanden die ik fiets.

Dag 0:     Drie mogelijkheden om door te reizen naar het Noorden:

Lofoten - slecht weer - zeeziek (valt dus af)

richting Fauske dan een secundaire weg, maar geen goede bootverbinding (valt ook af)

richting Fauske en dan de E6 met z'n drukte en al zijn tunnels! (Helaas, dit moet het worden.)

eerste getal is aantal gereden kilometers / tweede getal aantal uitgegeven kronen

Dag 1: 100 0 Mooi weer, 's avonds regen. Redelijk soepele reis van Bodø over weg 80 en de E6. Allebei druk. Aan het eind van de dag de eerste tunnels.

Dag 2: 100 38 Hele dag regen. Een dag van tunnels, bergen en afzien. Bij twee tunnels berg op, niet eens zo lang, heb ik mijn benen opgeblazen omdat ik er zo snel mogelijk uit wilde zijn (hoe zal dat morgen gaan?). Zeearend. Mooie route, vooral het stuk waar ik van de E6 af moest vanwege een tunnel die afgesloten is voor fietsers. De tunnels heb ik gehad - gelukkig. Drink me suf. Liters!!

Dag 3: 91 38 's Ochtends weer regen, later steeds meer zon, de laatste veerbootreis. Poolvos op nog geen vijf meter! Alles tegelijk, ook twee zeearenden. Veel gedronken. (E6 - E10) Krijg zo de pest aan al die caravans en kampeerauto's die hier in optocht rijden! Als je niet zonder een beetje luxe kan, ga dan niet op vakantie. Mooie kampeerplek.

Dag 4: 113 114 Mooi weer. Bandje van de BOB -aanhanger geeft het eindelijk na 8600 kilometer eervol op. Tweede lekke band. Arend. De ‘frambozen' kun je inderdaad eten. Polar Zoo bereikt!

Dag 5: 0 275 Hoe verzinnen ze het; weer hele dag regen. Polar Zoo kent een goede opzet, alleen zo heeft een dierentuin recht van bestaan.

Dag 6: 0 21 Lynx en herten goed op de foto. Je moest eens weten hoeveel natuurfoto's er in een dierentuin gemaakt worden! Begin van de dag was redelijk weer. Later regen. Opletten wanneer ze de dieren voederen. Ik heb mijn eigen huisdier. 's Nachts zie en hoor ik hem kruipen onder mijn grondzeil. Een lemming soms?

Dag 7: 0 14 Het werd toch nog mooi weer na een hele nacht regen. Zon is niet goed voor de foto's!!Vanwege de schittering op het gaas. Achteraf gezien heb ik voorgaande dagen dus geluk gehad! Sperwer?

Dag 8: 63 255 De E6 is net de Ringweg op IJsland: zonder toeristen rijdt er niemand, weg 87 lijkt een goed beslissing, lekker weer, Polar Zoo was de moeite waard. Daar ook een Echte libel.

Dag 9: 134 0 Weer miezelregen daarom/desondanks veel gefietst door beboste dalen en een fjord die aan de Westfjorden in IJsland doet denken. Twee eekhoorns, vier kleine jagers, lemmingen?, sperwer (?), dode vos - eens een mooi beest, vier grote zaagbekken. De E6 was best rustig.

Dag 10: 103 163 Een dag zonder regen, wel bewolkt! Mooi Westfjorden landschap. Veel eksters en bonte kraaien. Voelde de benen nog wel van gisteren. Uitzicht op een gletsjer. Alta komt binnen bereik.

Dag 11: 97 61 Een dag van uitersten. Eerst knapt het elastiek van de tentstokken - aan elkaar geknoopt en verder niks ernstigs. Plus! Een lager van het wiel van de BOB-aanhanger heeft het begeven! Wel een ramp. Ik was net zeven kilometer op weg. Alle zooi die ik niet meer nodig hoop te hebben heb ik weggegooid. De band van het voorwiel en de remblokjes heb ik nu maar gelijk vervangen. Ik heb alles op de fiets gekregen. De BOB die ik eerst wilde laten staan bungelt er nu leeg achteraan. Hopelijk kan iemand in Alta hem maken. Heb ik toch hetzelfde euvel gekregen als die Duitser in Oslo. Toen lachte ik nog. Maar God straft meteen of wacht tot je bijna op de Noordkaap bent. Een beetje olie af en toe zou niet verkeerd geweest zijn.

Het goede nieuws: een vos van heel dichtbij en een paar prachtige beklimmingen. Wat een uitzicht! En echt waar: de eerste kudde rendieren. Verder twee smellekens waaronder een jong dat vliegles kreeg pal naast de fiets. Het is een geweldig landschap. Hoe Noordelijker dat je komt des te beter het wordt. Het kan zelfs wedijveren met IJslandse landschappen.

Weer een droge dag. Teveel wolken voor mooi licht om foto's te maken. Het wordt duidelijk kouder, ook zie ik aan alles dat de herfst staat te beginnen, bomen verkleuren al, overal bessen en paddestoelen te over.

Het extra rondje om de fjord heb ik begrijpelijkerwijs maar overgeslagen zodat ik morgen Alta makkelijk moet kunnen halen.

Dag 12: 90 203 Paddestoelen gefotografeerd en toen regen, mieser, dan weer droog maar het blijft bewolkt. Goede plekken met steltlopers gezien. 20 km voor Alta broedende oeverzwaluwen met jongen!! Gezin Engelsen (drie leden) op de fiets met nauwelijks bagage ingehaald. Ik ging erg hard volgens hen. Feit is dat hij me niet kon bijhalen wat ie wel probeerde. Dat vertelde hij tenminste bij een verplichte pauze omdat ze aan de weg aan het werk waren. Eindelijk gedoucht op een goedkope camping (50 kronen, 10 kronen douchen 8 min.). De meeste toeristen zijn Noren, dan Duitsers, dan Italianen, dan Finnen, dan Nederlanders. Op de weg 87 heb ik een fietser gezien, nu die drie Engelsen, verder geen. Spaak uit achterwiel. Overal paddestoelen. Nog maar 240 km naar de Noordkaap. Wat te doen met het Sautso-ravijn? Wel of niet gaan kijken?  Sokken, t-shirt en jas uitgewassen.


Dag 13: 0   381 Eekhoorn. Op advies van de campingmensen maar de mega-coöp om de BOB te laten maken. Het lager vervangen lukte hem niet, maar ik kreeg zo maar na da, voor niks, een compleet tweedehands wieltje dat ook paste!!! Hoezo aardige mensen. Ik ben daarmee goed gered. Daarna naar toeristenbureau voor informatie over het ravijn. Ook al zo behulpzaam. Morgen ga ik daar dus toch heen. Vervolgens naar de rotstekeningen (gravures?) bij het Altamuseum Prachtig, en geweldig toegankelijk gemaakt. Hulde. Twee boekjes gekocht, eten gekocht. Fiets in orde gemaakt (nieuwe spaak, andere nagekeken en geolied) eten, kortom een geweldig drukke mooie dag en zelfs de zon heeft geschenen.

Dag 14: veel te veel. Het leek een mooie zonnige dag te worden uitermate geschikt voor een bezoek aan het Sautso ravijn. Toen ik mijn linkerschoen aan de binnenkant wilde intapen - want hij is behoorlijk aan het kapot gaan, miste ik iets. De tape en de ‘gereedschapstas' waar deze inzat. Een vervelend gevoel kwam over mij. Gestolen. Ik kon het gewoon niet geloven. De feiten waren anders. De vossen of eekhoorns die ik vannacht rond de tent dacht te hebben gehoord, was dus een menselijke rat geweest. Ik had nooit geloofd dat dit zo noordelijk in Noorwegen kon gebeuren. En ik geloof ook niet dat het een Noor is geweest. Het is wellicht politiek incorrect maar ik houd een van die asielzoekers die ook op de camping gehuisvest zijn verantwoordelijk. Een van hen heeft mij gisteren bezig gezien toen ik mijn fiets aan het onderhouden was en dacht zijn slag te slaan. Mijn dure statief heeft hij gelukkig laten liggen. De dag begon dus al vol problemen.

Een stel fietsers naast me was die nacht ook bestolen, ook een tasje uit de tent gehaald (eten plus handschoenen). Zij waren al naar de politie geweest. Dat karweitje wachtte mij ook. En ook zij, zij zagen een spoor in het van de dauw natte gras van hun tent naar het asielzoekershuis lopen - dachten dat een van hen verantwoordelijk was. Alleen, bewijs het maar.

Het inpakken was nog vervelender dan anders. De campingvrouw reageerde nogal vreemd toen ik de diefstal meldde. Ik kreeg het idee dat het daar veel vaker voorkwam. Bij de politie - aardig trouwens - reageerden ze ook al van: ach, die asielzoekers. Dus aan ieder die Alta wil bezoeken, ga niet naar Kronstad Camping. Dat kost je waarschijnlijk spullen. Er zijn alternatieve campings genoeg in de buurt. Wat een plek trouwens om als asielzoeker terecht te komen. Zeven maanden per jaar sneeuw en een paar maanden zonder licht.

Het is zoals gewoonlijk niet de waarde van de gestolen spullen die een diefstal erg maken. Het roept zoveel problemen op en slurpt zoveel kostbare tijd, dat het niet leuk meer is. Neem nou zoiets simpels als een stukje schuurpapier of een paar bandenlichters. Kosten nog geen gulden, maar je zult op de E6 of ergens in de middle of nowhere en lekke band krijgen. Dan heb je pas echt een probleem.

Ik ben dus de halve dag bezig geweest - en de halve (nee hele) stad afgefietst (Alta is niet echt klein) om enkele essentiële fietsbenodigdheden bij elkaar te sprokkelen. Moet je hier maar eens om een spaaksleutel vragen. Ik heb denk ik alle winkels waar ze iets met fietsen deden gezien en ben nu in staat een band te plakken, mijn ketting te oliën, en waarschijnlijk een spaak te verwisselen en remblokjes te vervangen.


Ik ben toch - wat moet je anders? - richting het ravijn gefietst. Onderweg een eekhoorn, twee pestvogels! En boven op de hoogvlakte heel veel rendieren. Ik dacht de fiets helemaal mee te kunnen nemen tot het uitkijkpunt bij het ravijn. Dat idee riep weer allerlei moeilijkheden op. Ik leed op dat moment aan een lichte vorm van zelfoverschatting (heb ik volgens Bonny wel vaker last van). Het terrein was toch niet echt geschikt. En bij een rivierdoorsteek bleef het nieuwe wiel van de BOB hangen. Na een flinke ruk van mij lag het wiel even later tussen de keien in het snelstromende water. Geen ramp ware het niet dat ik geen BAHCO en steeksleutels had gekocht. Toch met enig wriemelen kreeg ik het wiel er weer in. Bij een volgend drassige plek klapte de BOB om en vreesde ik dat er wat verbogen was. Ik was vergeten de borgpen opnieuw vast te zetten nadat ik het wiel had teruggezet.
Toen had ik er genoeg van en heb de fiets laten staan. Nam alleen de fotospullen mee en ging verder, want het is hierboven adembenemend mooi, vooral met het licht van de laagstaande zon erboven. Met een beetje geluk heb ik enkele prachtige foto's van de rendieren in dit licht. Eerder op de dag heb ik een soort mini vlinder op een paddestoel gefotografeerd.

Na een - in mijn beleving - lange tocht bereikte ik dan uiteindelijk de Sautso Canyon: de grootste van Noord-Europa. Het was de moeite waard. Helaas stond de zon niet goed ('s morgens beter) voor mooie foto's.

De terugweg ging aanmerkelijk makkelijker en sneller. Dat moest ook wel, want het begon al wat donker te worden maar het ergste was de opstijgende nevel of de neerdalende wolken. Het is maar hoe je het bekijkt. Het werd mistig. Keurig op tijd bereikte ik de fiets. Dertig meter terug zette ik de tent op.

In de warme slaapzak overdacht ik de hele situatie en genoot van de echte stilte; die soms beangstigend was. Morgen nog maar wat rendierfoto's maken en naar het andere uitkijkpunt over de Canyon. En dan op weg naar de Noordkaap voor het laatste - romantische - doel. Of toch maar direct naar Kautokeino - de weg naar het zuiden? Want al met al begint het reizen (ingezet met het aanhoudende slechte weer) vervelend te worden. Het is dat ik zo eigenwijs ben - en eigenlijk ook geen kant op kan.

Dag 15:                0          Ja hoor, regen! Precies op het goede moment! Nu het moreel toch al zo hoog is. Dit wordt een eenzame dag op de hoogvlakte vrees ik. Hopelijk gaat het niet te hard waaien. Ik lees de boekjes die ik bij het rotstekeningenmuseum heb gekocht. Beide interessant. Maar ik heb ze zo uit. Schrijven - aan het boek - dan maar, dat heb ik al tijden niet gedaan. Heb niet echt inspiratie gehad. En ik moet ook nog controleren of de BOB nog achter de fiets past.

De wind begint akelig toe te nemen. Half twee, inpakken maar, het gaat me nu te hard. Af en toe krijg ik zoiets van: Elden is eigenlijk zo gek nog niet. Een geluk / meevaller heb ik: de BOB past nog. Ook nu, tijdens dit noodweer is de hoogvlakte mooi en zie ik weer rendieren. Na een voorzichtige afdeling zet ik de tent in het dal tussen de bomen op. Het is gestopt met regenen. Mooie paddestoelen om te fotograferen vind ik niet. Lekkere bosbessen wel. Daarom een stukje schrijven, slapen en vroeg op, want morgen ga ik hoe dan ook richting Noordkaap. Ze zullen mij niet krijgen. Zoals Ruud al zei: "Laat je niet gek maken."

Dag 16: 109          174          Weer veel miezelregen op deze loodzware etappe. De etappe - voor een groot deel over een hoogvlakte - was zo lastig vanwege de stevige ‘IJslandse'wind die ik voor het grootste gedeelte schuin tegen had (later zag ik in de krant dat er een windkracht 10 had gestaan). Ook een slecht stuk weg. Achteras van de fiets vastgezet. Kleine jager gezien en de nodige rendieren. Het landschap bevalt me wel. Kortom een ietwat saaie vermoeiende dag.

Dag 17: 101          0          Ik had een hele zware dag verwacht. Makkelijk was het niet. 's Morgens regen, toen dacht ik: dit wordt loodzwaar. Door langzaam aan te doen was het tegen de tijd om te gaan fietsen droog. Eerste stuk harde wind mee, die zou ik later vandaag dus tegen hebben. Toen kwam ook de zon nog door. Toen ik op onverwachte stukken ook nog wind mee had, dacht ik: dit wordt een makkie. Of er zouden lastige beklimminkjes moeten komen. Die kwamen niet. Het weer zo noordelijk veranderd echter bliksemsnel, zodat ik toch nog in regenstormbuien terechtkwam. En toch ook een tijdje de nodige stevige ‘IJslandse' wind tegen had. Het is hier overigens wat betreft het landschap ook net IJsland. Vooral toen er ineens geen bomen meer groeiden. En dan het licht op het groen/blauwe fjordwater. En al die rendieren. Het is maar goed dat ik toch de afslag naar de Noordkaap heb genomen. Nu nog echt mooi weer, dan is het perfect. Ik slaap op het verlaten veerbootterrein. Morgen de laatste kilometers... Onderweg heb ik gezien: bessen etende meeuwen, een ruigpootbuizerd, smelleken, zeearend, kleine jager, raven, aalscholvers, grote zaagbekken, tapuiten en prachtig verweerde bergen. Geweldig (tegen) licht over de heide / veen vegetatie (herfstkleuren). Feyenoord - Sparta 5-0

Dag 18: 53 303          Niet echt geweldig geslapen. Buiten is het af en toe noodweer. Ik voel ineens dat ik ziek word. Toen ik opstond (vroeg om alle toeristen voor te zijn bij de tunnel) wist ik het zeker. Zere spieren, geen macht en koud (koorts). De tunnels waren dan ook geen pretje (bijna 7 en 4,5 km lang). Bij de lange moest (omdat ie onder de zee doorgaat) ook nog geklommen worden 9%. De tunnels zijn wel goed verlicht en hebben een soort voetpad. Daar heb ik maar gereden / gelopen. Tunnels zijn niet leuk

Bij de REMA-supermarkt in Honningsvag zit ik bij te komen en flink veel fruit - vitaminen - naar binnen te stouwen. Wat te doen? Iets heel onverstandigs. Ik probeer op mijn dooie akkertje van Honningsvag naar de Noordkaap te gaan (een kilometer of dertig). Als het te laat is merk ik dat ik er veel te ziek voor ben. Bij iedere helling moet ik lopen, alle spieren doen me verschrikkelijk pijn en ik heb koorts. Met pijn en moeite, ik kan amper het stuur nog vasthouden en had zelfs even een black-out bereik ik de laatste camping. Ik neem paracetamol en kruip in de slaapzak. Hoge koorts, overal pijn, waar moet dit naar toe? Zin in eten heb ik niet. Dit is de ergste dag uit mijn fiets carrière.

Ook mijn darmen werken niet goed meer. Midden in de nacht word ik drijfnat van het zweet wakker. Amper in staat de wc te bereiken. Mijn lichaam was totaal oververhit. Door de nachtelijke koelte kom ik bij, val net niet flauw en haal net de wc. Rijkerswoerd is nu wel heel ver weg. Ik was er nu graag geweest, maar ik kan niet voor- of achteruit. Ook de Noordkaap - nog amper 10 km - lijkt ontzettend ver. Misschien heb ik wel een dokter nodig. Geen lange fietsreizen meer voor mij! Heel veel meeuwen gezien, landschap lijkt op dat van de Westman-Eilanden.

Dag 19 -:    0          250          De koorts is gelukkig veel minder. De spierpijn is weg. Alleen mijn darmen willen geen voedsel of water vasthouden en mijn maag doet zeer. Ik blijf nog maar een dag op de camping in de slaapzak. Het is eindelijk mooi weer. En nu kan ik er niets mee. Het enige dat ik kan doen is hopen dat mijn maag snel herstelt. Ik voel me nog niet echt slap. Al met al is het weer iets rooskleuriger.


Ik voel me zelfs weer in staat om uit eten te gaan op de camping. Terwijl ik op de maaltijd zit te wachten zakt de trek met rasse schreden en als ik het volle bord voor mijn neus krijg, weet ik dat ik geen hap naar binnen krijg. De vrouw van de camping vraagt al of er iets mankeert aan het eten. Ik leg haar de hele situatie uit en meteen toont zij zich bezorgd. Als het vannacht weer niet wil en ik naar een dokter moet dan moet ik haar vader die op de camping slaapt maar wakker maken en hij zou haar dan bellen. Ik neem het eten mee naar de tent, eet een klein beetje - gewoon omdat ik het wil - en hoop natuurlijk dat ik haar hulp niet nodig zal hebben. Toch maak ik me wel zorgen. Ik ben bijna nooit ziek. En als ik ziek word dan voel ik het aankomen. Voordat ik op het veerbootterrein overnachtte voelde ik me echt beresterk. Dat ik een paar uur later doodziek was deed mij het ergste vrezen. Het even zo snelle herstel van de spierpijn en (hoge) koorts was dan weer bemoedigend, maar die diarree.... Ik wilde graag weten wat ik mankeerde, wanneer ik weer wat binnen zou kunnen houden, want zelfs water liep er zo weer uit. En dan haal je het al snel in je hoofd dat je zult uitdrogen.

Die nacht is het weer zwaar mis. Ik ren weer diverse keren naar de wc en vraag me af waar het allemaal vandaan komt. Het blijkt wel het laatste te zijn. Ik maak me nu echt zorgen. Midden in de nacht brengt zij me naar de dokter in Honingsvag, die daarvoor ook uit bed moet worden gebeld. Na een algemeen onderzoek krijg ik de bijnaam ‘Iron Man'. De dokter vraagt hoe lang ik erover heb gedaan om zo'n conditie te krijgen. Toch is deze Iron Man doodziek al zou je dat blijkbaar van de buitenkant gezien niet zeggen.

Na een bloedproef blijkt dat ik een bacterie infectie heb. Die zal de diarree veroorzaken. Het herstel zal dagen duren. Niets aan het handje...... Alleen, ik zit zo goed als op de Noordkaap en die infectie is niet zomaar aan komen waaien. De dokter stelt vast dat ik door mijn reserves heen ben en lichamelijk eigenlijk totaal uitgeput. Toen ze hoorde dat ik nog het plan had om door te fietsen (doormoest) naar Kiruna (700 kilometer?) in Zweden waar het dichtst bij zijnde treinstation is, raadde ze me dat stellig af. Dat zou ik ook na enige dagen rust in mijn tentje nooit redden. Na 100 of 200 honderd kilometer fietsen zou ik weer tegen iets ‘anders' aanlopen. Met andere woorden: mijn reis was ten einde.... Vierduizend kilometer van huis werd mij aangeraden zo snel mogelijk terug te gaan. Hoe dan?

Een geluk had ik. Honningsvag beschikt over een vliegveldje. Als ik me weer goed genoeg voelde kon ik terug vliegen.

Ik kreeg pijnstillers mee en een recept voor pillen die de diarree zouden stoppen. De pijnstillers werkten ontzettend goed. De zeurende maagpijn verdween opslag. De rest van de nacht bracht ik door in een Stuga - een houten hutje. Dat was een stuk comfortabeler dan de tent. Ik voelde me 's ochtends in staat om de tent in te pakken en naar het vliegveld te gaan. Dit was grotendeels te danken aan de pillen die ik kreeg. De pijn was weg en ze werkten op mij als een soort speed. De wil om naar huis te gaan werkte natuurlijk ook niet tegen. Dezelfde campingvrouw bracht me naar het vliegveld, droeg mijn spullen en hielp me met het inchecken. Ik moet er niet aan denken dat ik dat in mijn eentje had moeten doen - als ik het al had gekund.

De vliegreis naar Trondheim gaat onverwacht goed. Regelmatig neem ik een pil. Het enige wat ik hoef te doen is stil zitten en een keer overstappen. Mijn darmen zijn - en blijven leeg. Hoe zwak ik inmiddels ben merk ik in Trondheim als ik de fiets moet bepakken in afwachting van Bonny die me komt ophalen. Door de speed ben ik echter wel actief. We slapen die nacht in een hotel bij het vliegveld van Trondheim.

's Ochtends neem ik de laatste wonderpil. Met pijn en moeite - en de hulp van aardige baliemedewerksters - kunnen we regelen dat we nog die dag samen terug kunnen vliegen naar Nederland. Bonny sjouwt de bagage wanneer dat nodig is. Met mij gaat het goed tot een half uur voor de landing op Schiphol. De pil raakt uitgewerkt en ik moet weer eens rennen. De klap van de benauwde hitte die ik kreeg toen ik uit het vliegtuig stapte (meer dan 30 graden) maakte me nog beroerder, evenals de overvolle trein naar Arnhem.     

Eenmaal thuis herstelde ik enorm snel. Na een paar dagen kon ik weer alles eten. Wat ik dan ook deed en dat alles in enorme - beangstigende - hoeveelheden. Tja, en zo maak je nog eens wat mee….

Is hiermee de reis ten einde? Nee, ik keerde terug naar Trondheim; samen met Edwin Giesbers om de herfst op met name de Dovrefjell vast te leggen op dia. Die afspraak hadden we immers gemaakt.

Op deze plaats wil ik nogmaals de mensen van de Middnatsol-camping - de laatste camping voor de Noordkaap - bedanken.

 

Deel 5.

DE TIJD MET EDWIN

Samen met Edwin Giesbers heb ik ‘Luimelen in Meinerswijk' gemaakt. Met hem had ik afgesproken om op het einde van mijn reis, samen van Trondheim naar Oslo te fietsen en uitgebreid op de Dovrefjell en in Rondane te gaan fotograferen. Ik werd alleen een beetje ziek, waardoor ik de plannen moest wijzigen. Gelukkig herstelde ik snel genoeg en konden we alsnog op dezelfde dag vanuit Nederland naar Trondheim vliegen, waar de fietsen van Bonny en mij al klaar stonden in een hotel. De ellende was echter nog niet helemaal voorbij.

Dag 1:      Vertrek - Aankomst. Het werd een rampdag. Edwins vlucht werd gecancelled en hij moest over Kopenhagen vliegen i.p.v. Oslo. Mijn vlucht was vertraagd en ik miste daardoor de aansluiting in Stavanger naar Trondheim. Gevolg daarvan was dat ik opnieuw de bagage moest inchecken. En dat ging verkeerd. Ik stond in Trondheim, maar mijn bagage lag in Bergen. De bagage zou arriveren met de vlucht van half elf, die om 23.15 in Trondheim aankwam, zo melde mij de behulpzame baliemevrouw van vliegtuigmaatschappij Braathens! Dat werd lekker wachten. Even later belt Edwin. Hij komt pas om 24.00 aan vanwege problemen in Kopenhagen!! Ik heb gegeten op kosten van Braathens, die waarschijnlijk daardoor nu zijn overgenomen door SAS.

Uiteindelijk werden Edwin en ik herenigd. We nemen een taxi naar het hotel en pakken de fietsen uit de kelder. Het bepakken gaat verder soepel en zowaar ons wachtte de eerste meevaller: De banden van Bonny's fiets staan weliswaar leeg, maar blijken niet lek. In het pikkedonker vinden we om half twee een plek om te slapen. Weliswaar staat er een bordje Adgang Forbudt (verboden toegang) maar we hebben geen flauw idee van het waarom. Om 06.30 weten we het wel! We staan pal naast de startbaan van het vliegveld. Wat een herrie.

Dag 2:      Begint goed. We zien een OTTER (nieuw) in het water vlak voor de tent. Het is lastig fietsen. Ontzettend veel heuvels. We leggen 61 km af. Ik ben blij met het lekkere weer. Twee kraanvogels. De wegen zijn rustig. Edwin heeft het zwaar. 's Avonds horen we dat Amerika bezwijkt onder de vliegtuigen.

Dag 3:     Vandaag 74 km gereden. Gisteren vonden we een paar dode lemmingen, nu vinden we ze bij bosjes!!! Op het wegdek, maar ook zo maar -- die ene die er nog ‘goed' uitzag was erg mager. Weer twee kraanvogels. En zowaar, ik zag twee levende lemmingen, weer een nieuwe soort derhalve. Inmiddels hadden we heel mooi weer. Opnieuw was het een pittige tocht, maar niet zoals gisteren. Morgen zitten we als alles goed gaat op de Døvrefjell. Wat is er verder nog te melden: een platgereden vos, lekkere frambozen langs de kant van de weg (paar stekken opsturen naar Nederland) en mogelijk 10.000 doden in Amerika.

Dag 4:        76 km gefietst. Lichtste tocht tot nu toe al was het eind pittig. Er kwam zogezegd geen eind aan. Maar het was lichter dan ik had verwacht (wind mee op het eind en dat scheelde) De E6 lijkt verlaten nu er maar weinig toeristen over zijn. Ik zie bijna geen campers en caravans meer, alsof ze zijn veranderd in dode lemmingen.

Het weer begon goed, stralend zelfs. Later in de middag begon het te druppelen en 's avonds kregen we motregen. Edwin brengt geluk, dat is nu wel duidelijk. We zien namelijk: twee elanden - vrouwtje met jong plus bijna zeker een steenarend en ook nog een smelleken. Hier bij de Døvrefjell vinden we de mooie herfstkleuren waarvoor we kwamen. Nu nog goed weer om te fotograferen.

Dag 5:     Het heeft de hele nacht flink geregend. Toen ik opstond was het droog en verscheen er steeds meer blauw. Toch trokken deze gaten ook weer dicht. Gelukkig bleef het de hele dag droog en was er vrij veel licht ondanks de bewolking. In het wolkendek vielen af en toe gaten waardoor er mooi spelend licht in het landschap was. De Døvrefjell is nu prachtig gekleurd. We vinden negen muskusossen, waarschijnlijk zien we weer een steenarend en ik kan een waterspreeuw (nieuw) bijschrijven. Had ik het de vorige dag net met Edwin over gehad. "Dit moet toch een waterspreeuw biotoop zijn."

Ik verwacht een paar mooie foto's te hebben gemaakt. Het was een heel vermoeiende dag. Talloze kilometers gewandeld en ik merk dat ik nog niet in topconditie ben. Twee jagers gezien. Geen schoten gehoord.

Dag 6:     Beetje sombere dag met buien. Niks bijzonders gezien. Wel behoorlijk veel rolletjes volgeschoten. Het is nu buitengewoon mooi. Wat een herfstkleuren! Edwin loopt inmiddels behoorlijk mank, zijn geïrriteerde heup speelt op.

Dag 7:     Begint met een flinke regenbui zodat we lekker kunnen uitslapen. Daarna weer een behoorlijk sombere dag. We zien vlakbij de tent een smelleken dat een paar eksters plaagt. Verder het een of andere hoen en wellicht weer een waterspreeuw langs het stroompje bij station Kongsvoll. Onze timing is goed. Het gebied is wat herfstkleuren betreft waarschijnlijk nu op zijn mooist. De benzine voor de brander is bijna op.

Dag 8:     Weer overwegend een bewolkte dag. 's Ochtends wat zon die ik ten volle benut heb om wat mooie landschapsfoto's te maken met ‘brandende bomen'. Zeven kippen vliegen voor ons op. De vogeltrek komt goed op gang; de vleermuis van de vorige avond is er ook weer.

In de hele wereld vind je geen mooiere herfstkleuren dan hier op de overgang van berkenbos naar hoogvlakte. Dichtbij vinden we acht muskusossen, op de steile helling in de verte staan er nog eens ongeveer vijf. Ik volgde een tijdje een groep van zes maar was eigenlijk te bang om ze te fotograferen. Hoe kun je in dit landschap met zijn vele morenen in hemelsnaam zes muskusossen die de kunst van het verdwijnen zeer goed beheersen in de gaten blijven houden? Net toen ik de moed helemaal had opgegeven ooit een mooie muskusosfoto te maken en terugliep naar Edwin die een moedere met kalf had gevolgd, bleken deze twee mee te willen werken. Eerst lagen ze te slapen, waardoor ze nagenoeg onzichtbaar waren en je er als argeloze wandelaar zomaar bovenop kan stappen met alle gevolgen van dien. (Berenaanvallen worden meestal ook zo uitgelokt. Wanneer je plots oog in oog staat met een nietsvermoedend dier.)

Na een benaderingspoging van mij met open vizier bleek dat ze me op die afstand accepteerden. Ze drentelden zelfs van me weg - om geen confrontatie aan te gaan? Om later weer mijn kant op te sukkelen. Het kalf ging weer liggen rusten en ma knabbelde wat aan de berkenblaadjes. Het voelde als een openbaring. Dan weet je dat het goed zit. Al die tijd geen spoor van agressiviteit. Jammer dat het licht op dat moment zo bedroevend was anders had ik dan al de mooie foto's gehad die ik wilde. Nu moet het morgen weer. Misschien dat ik dan iets van mijn angst heb achtergelaten. Gelukkig hadden we genoeg benzine voor de maaltijd van vandaag. Nu morgen nog.

Dag 9     Goede muskusosfoto's gemaakt, helaas niet op Velvia (soort diafilm). Een dag met mooi licht op de juiste momenten. En we hebben het nodige gezien: verscheidene kippen, 6 muskusossen (3 vr., 2 k, 1 stier) plus een ver weg op de helling, een hermelijn (erg klein volgens Edwin dus een vrouwtje, was veel kleiner dan die hermelijn in Denemarken). Ik verlaat de Døvrefjell met een goed gevoel. Rondane kan onmogelijk beter worden.


Over muskusossen en aanvallen
Al doende leert men, dat wil het spreekwoord. En ik heb inderdaad het een en ander opgestoken over het benaderen van wilde dieren, meer specifiek: de muskusossen. Zoals ik het in de zomer gedaan heb, ongezien naderbij sluipen, is zo'n beetje het stomste dat je kunt doen. Word je plotseling door een os ontdekt dan schrik je allebei en ligt een aanval voor de hand. Het is veel slimmer om de dieren open te benaderen en hun vertrouwen te winnen. Daarvoor is het wel noodzakelijk dat je enigszins in staat bent diergedrag in te schatten en te begrijpen. Laat je al van verre aan de dieren zien. Verandert hun gedrag niet dan kun je dichterbij. Het mooiste is natuurlijk dat de dieren naar jou toekomen, terwijl ze weten dat je er staat of zit. Ik had deze situatie op een gegeven moment voor elkaar. Het geeft een gigantische kick als je deze in potentie gevaarlijke dieren zo onbevangen op je af ziet komen. Helaas kon ik de ultieme foto ook nu niet maken. Uit mijn ooghoeken zag ik vier toeristen heel snel mijn kant opkomen. Die zagen dat ik van relatief dichtbij de ossen aan het fotograferen was en wilden dat waarschijnlijk ook. Ze wisten niet welke tijd ik er inmiddels in had gestoken om het vertrouwen van de dieren te winnen. Ik heb me teruggetrokken omdat ik bang was dat die andere toeristen een aanval - op mij? - zouden uitlokken.

Zelf heb ik al die tijd geen agressief gedrag van de ossen gezien. Veel toeristen echter, waarmee ik daar heb gesproken, melden wel degelijk dreiggedrag. En dat is een teken dat ze het niet goed aanpakken, al is er niemand echt aangevallen.

Praat je met de Noorse natuurfotografen dan komen de verhalen over aanvallen vanzelf. Die ene fotograaf wist in ieder geval van minimaal twee doden. Een vriend van hem is in het berkenbos aangevallen en kwam er vanaf met een gebroken been. Zelf had hij eerder die ochtend ook een avontuur beleefd. Drie muskusossen (stier, koe en kalf) schrokken zo van hem en zijn maat dat ze  400 meter hard wegliepen. Niks aan het handje, ware het niet dat: ze daarna keerden en met z'n drieën op rij terug stormden. Gelukkig bleven ze op zo'n 90 meter afstand plots stokstijf staan. Grappig detail: die ene fotograaf kwam erachter dat hij geen rolletje in zijn camera had. De andere maakte de foto's van zijn leven, van de aanstormende ossen. Ik was denk ik in die toestand toch maar aan de kant gegaan.

Een tip voor mensen die naar dat gebied willen. Veel aanvallen vinden plaats in het berkenbos. Dat is logisch want door het beperkte zicht word je plotseling met elkaar geconfronteerd. Let dus goed op wanneer je over het steile pad naar boven loopt.

Dag 10:      30 km gefietst. Met erg somber weer verlaten we onze slaapplaats. Een goede dag om te reizen dus. Het stukje klimmen naar Hjerkin viel mee. De treinreis naar Otta verliep soepel. Het inkopen doen ook en we hebben uitstekend gegeten bij Solstad kafe, een aanrader. Daarna op weg naar Rondane en begon het afzien.

Een klim, verschrikkelijk! Dit is er een van de buitencategorie. Mijn achterwiel dreigt het inmiddels te begeven, dat kan er ook nog wel bij. Na twee kapotte spaken vervangen te hebben pingelt het nog steeds (wiel ruilen met Bonny). Net voor aankomst op de parkeerplaats zien we een eekhoorn. Vermoeid en Edwin met zijn pijnlijke heup hebben we snel de tent opgezet. Rondane is veel toeristischer dan gedacht. Overal om ons heen staan vakantiehuisjes.

Dag 11:     Begint met heel veel regen, nota bene hier in Rondane waar het volgens de boekjes nooit regent. Beetje baaldag, absoluut geen zin in fotograferen. Weer wordt toch nog goed. Ik heb gewerkt aan een libellenartikel en aan een Døvrefjellartikel.

Dag 12:     Weer regen en vrij veel bewolking. Geeft op een gegeven moment wel mooie lichteffecten. Twee rolletjes vol geschoten, vooral met creatieve fotografie, heb een Nikon 801 van Edwin gebruikt voor dubbelopnamen en lopen klooien met allerlei filters. Rondane is best mooi, maar ik geloof dat ik het nu al gezien heb. Døvrefjell is in ieder geval veel mooier.

Dag 13:     We reizen per trein naar Gardermoen vliegveld (Oslo) omdat fietsen voor Edwin onmogelijk is. Net ten zuiden van Ringebu zien we vanuit de trein een groep van 15 a 20 kraanvogels in een mooi decor. Zat ik daar maar in een schuiltentje. Verder een dag van wachten en verveling.

Dag 14:     Edwin op het vliegtuig gezet, daarna naar Oslo gefietst. Direct zag ik al twee vossen. Verder een saaie dag met wachten. Op de veerboot koop ik mijn traditionele M en M's, chips en Fanta. Ik voel me niet sterk en zal blij zijn als ik thuis ben. Hopelijk gaat morgen alles goed met de trein.

Dag 15:     Een drukke dag met al dat irritante overstappen. Een BOB aanhangertje is okee maar je moet er niet de trein mee in hoeven. (instappen Frederikshaven, overstap Aalborg, Aarhus, Odense, Duisburg, lift in lift uit.) En iedere keer moest ik de aanhanger aan- en loskoppelen wat niet goed lukken wilde omdat de boel ietwat verbogen is geraakt. Gestoord word je ervan.

De bootreis was rustig. Vanuit Arhus ben ik naar het Moesgaardmuseum gegaan, toch weer 9 km heen en 9 km terug fietsten. En zowaar, ik reed door een stuk Deens bos en kwam langs een soort hertenkamp. Daar zat ook een eekhoorn. Onderweg zag ik nu wel genoeg buizerds, allemaal op weg naar het zuiden.

Vanwege het museum in Moesgaard ben ik met de veerboot teruggekeerd in Denemarken. Een van mijn doelen was het fotograferen van runenstenen. Zoals gezegd heb ik er vele gezien, maar weinig die echt de moeite waard waren. Ergens onderweg op Funen kreeg ik foldertjes in handen waarop een magistrale runensteen stond. Eentje met een heel apart masker erop, alleen, wel weer aan de andere kant van Denemarken. Natuurlijk wilde ik die steen zien en fotograferen. Alle moeite bleek niet voor niets. De steen is een plaatje en ik heb hem zonder problemen met statief kunnen fotograferen. Het was echter wel een bliksembezoek, want ik wilde verder met de trein, zo snel mogelijk naar huis. Ze hebben daar zeven runenstenen en het beroemde veenlijk (mooie foto in de National Geographic) en het skelet van de beroemde slaaf die met handen en voeten gebonden en afgehakt hoofd met zijn Vikinghoofdman moest sterven.

In Arhus heb ik voor de zekerheid mijn treinticket laten controleren. Waren ze in Frederikshaven toch maar mooi vergeten om voor mij een plaatsje in de nachttrein te reserveren. In Odense heb ik gegeten. Al met al gaat het redelijk.

De nachttrein terug had geen haast, toch arriveerde ik op de afgesproken tijd in Arnhem. Nu nog eenmaal mijn aanhangertje aankoppelen. Ik stond weer te klooien totdat er hulp uit Elden verscheen. Op mijn dooie akkertje fietste ik naar Elden en genoot van de nevel en de rode laagstaande zon.

Terug in Nederland kreeg ik gelijk griep. Een teken dat ik bij lange na niet helemaal hersteld was van die aanval bij de Noordkaap.  


Slot
Noorwegen is geen IJsland. De twee reizen waren totaal anders. Terwijl in IJsland alles meezat, het weer bijvoorbeeld en de twee aardbevingen die het vulkanisme een oppepper gaven waardoor ik uniek drie geisers tegelijk heb zien spuiten, zat het in Noorwegen soms behoorlijk tegen. Het slechte weer in het Noorden waardoor ik waarschijnlijk uitgeput ben geraakt (constant natte voeten) dat soort dingen heb je niet in de hand. Wat ik wel heb onderschat is de grootte van het land en de eentonigheid. Mijn combinatie fietsen - fotograferen kwam niet echt uit de verf. Ik zat teveel op de fiets om nieuwe landschappen te zien waardoor ik me te weinig tijd gunde om het vast te leggen. Wat dat betreft was IJsland ideaal. En toen ik uiteindelijk in het voor mij interessante hoge Noorden aankwam, was het klote weer.

Natuurlijk was het een geweldige ervaring en is Noorwegen een geweldig land. Toch kies ik er een volgende keer voor om net als vijf jaar geleden op een motor te gaan.

Ik heb geschreven dat ik geen lange fietsreizen meer wilde maken. Wanneer je twee jaar achtereen zolang van huis bent, treed er toch een soort van vervreemding op. Echter, nu ik een paar maanden thuis ben, begint het opnieuw te kriebelen. Ik verlang terug naar de vrijheid en het eenvoudige bestaan op de fiets, maar wat tegelijkertijd een zeer intense manier van leven is.

Komend jaar blijf ik thuis, op een paar korte vakanties na (Lesbos, Jaegersborg en Falsterbo). Het jaar erop ga ik voor lange tijd terug naar IJsland, waarschijnlijk samen met Bonny op een motor, maar als het niet anders kan haal ik de fietsen weer van zolder. Dan ga ik terug naar mijn nieuwe paradijs. Waar ze het hopelijk niet in hun hoofd krijgen om ten behoeve van Nederland ‘schone energie' te gaan opwekken door waterkrachtcentrales te gaan bouwen en daarmee een groot deel van het land onder water te zetten. En zo is er overal wat.

Een paar cijfers:

Op 10 kilometer na de Noordkaap niet gehaald.

Aantal afgelegde fietskilometers ongeveer 4700, samen met de 5200 van IJsland kom ik - verdorie - net niet aan de 10.000.

Aantal gemaakte dia's: 4500

 

Tonny Buijs