GROETEN UIT IJSLAND


Deel 1.
Ik heb inmiddels bijna drie weken doorgebracht in dit volgens zo velen prachtige land. In die tijd heb ik slechts een klein gedeelte gezien, namelijk: het Zuid-Westen. Veel meer zullen de meeste toeristen die een of twee weken blijven ook niet zien. Voor mij echter is het niet meer dan een eerste indruk, want volgens plan blijf ik zo'n drieënhalve maand in dit in ieder geval ruige land.

Laat ik bij het begin beginnen. Waarom naar IJsland? Waarom zo lang? En waarom op de fiets? IJsland is een land dat tot de verbeelding spreekt: ruige (echte) natuur en waar je de vormende oerkrachten van de aarde aan het werk kunt zien: werkende vulkanen, geisers, enorme watervallen en niet te vergeten: de werking van de platen tektoniek. Volgens deze theorie drijven er op aarde een aantal platen (schollen) die langzaam op elkaar botsen of langzaam uit elkaar gaan (voor een geograaf zoals ik hartstikke interessant natuurlijk). Langs de randen van de platen gebeurt van alles: aardbevingen, vulkaanuitbarstingen, etc. Op IJsland drijven twee schollen uit elkaar, simpel gezegd de Amerikaanse en de Europese. En dit is uitstekend te zien bij Thingvellir, een gapende kloof. Daar kun je bij wijze van spreken met het ene been op de Amerikaanse en met het andere been op de Europese schol gaan staan. Prachtig.

IJsland heeft een aantal voordelen voor de kampeerder. In de zomer heb je 24 uur zon, bijna gaan hinderlijke insecten, geen gevaarlijke dieren en je mag zo goed als overal je tentje opzetten. Bovendien kun je het water uit de beekjes zo drinken! Als je een land wil leren kennen heb je aan drie of vier weken niet genoeg. Goed, als je een auto huurt en als een gek alle bezienswaardigheden afraffelt, kun je alles zien. Maar ik denk niet dat je daarmee het land hebt leren kennen. Met een auto doe je dat sowieso niet. Daarom wilde ik het goed doen en blijf drieënhalve maand. De keuze voor de fiets - een mountain-bike plus aanhangertje - lag voor de hand. Je staat daarmee enorm dicht bij de natuur. Als het regent word je nat, als het koud is trap je maar wat harder (en zet je niet de verwarming van de auto wat hoger) en als je bult op moet dan zwoeg je je kapot (had ik toch maar een auto, een beetje extra gas en hup je bent boven). De fiets was trouwens uit kostenoverwegingen het enige alternatief. Wandelen en liften zijn vanwege alle zooi die ik bij me heb onmogelijk: de normale bagage voor vier maanden (ik moet namelijk nog terug naar Elden fietsen vanuit Denemarken) plus een complete foto- en een visuitrusting.

De vier maanden die ik onderweg zal zijn wil ik benutten om in alle rust de laatste hand te kunnen leggen aan het kinderboek waaraan ik bezig ben: Roep uit de Kauwenhoek. Ik streef ernaar om het voor het einde van het jaar in de winkels te hebben. Voorts wil ik beginnen aan een volgend kinderboek. En als laatste: ik wilde gewoon proeven aan het leven van een professioneel natuurfotograaf. Dat betekent voor mij dus vier maanden geconcentreerd met fotografie bezig zijn. Want zonder twijfel: IJsland is een fotogeniek land! Dat heb ik inmiddels ondervonden. En wanneer je zoals ik streef naar de perfecte foto dan kom je rolletjes tekort.

De eerste indrukken
Kostbaar. De eerste uren voor vertrek en direct na aankomst kostten een rib uit het lijf. Overgewicht met de bagage voor het vliegtuig. Kosten: meer dan het ticket voor mijzelf. Bij aankomst moesten de hengels gedesinfecteerd worden. (Op IJsland ontbreekt een of andere visziekte en dat willen ze zo houden.) Het karweitje duurde twee minuten. Kosten: zeker een week eten.

De vlucht verliep soepel. Het was de eerste keer dat ik met een groot vliegtuig meeging. Dié versnelling die het toestel kreeg vlak voor het opsteeg: man, wát een power, wat een PK's!

Het was helder. Daar lag IJsland. Met geen pen te beschrijven wat ik toen zag. Laat ik het maar hier op houden. Het was het landschap uit een sprookjesland. En dan nog indrukwekkender.

In Keflavik was een supermarkt gauw gevonden. Met een gezonde voorraad ging het over heerlijk asfalt naar het noorden. Bij een eenzaam stukje strand - na een oud kerkje te hebben gefotografeerd - zetten we het tentje op. Links van ons krijste een kolonie Noordse sterns. Boven en voor ons vlogen de vogels met kleine visjes in de bek. Rechts naast ons stonden twee vuurtorens: een oude en een nieuwe. Op het strand liepen de vogels in rijtjes: steenlopers, drieteenstrandlopers, bontbekplevieren, tureluurs en verder meeuwen en eidereenden. Op het grasland wulpen, regenwulpen en IJslands nationale trots: de goudplevier. Op een hagelbui na was het weer perfect. Met de zon op de tent sliepen we onder het klaaglied van de regenwulp in.

Aan vogels ontbreekt het niet. Ze zijn er in grote aantallen, alleen het aantal soorten is beperkt. IJsland kent iets van 70 soorten broedvogels. Dat aantal zit er in een goed jaar bijvoorbeeld ook in Meinerswijk alleen. Daarentegen: op een enkele vogelklif zitten meer vogels als er in tien jaar in Meinerswijk broeden. Ja inderdaad, IJsland is een vogelparadijs.

De tweede dag fietsten we naar het zuiden, langs de Atlantische kust. Wind mee en zon! Zou het weer dan toch meevallen? Daar, in een verlaten en uiterst ruig lavaveld waar ogenschijnlijk niets kon leven, zong een eenzame ijsgors. Onwerkelijk. Even verder zat een roofmeeuw: een kleine jager. Het klif waar we naar op weg waren, zat vol meeuwen en enkele zeekoeten. Het was het eerste klif dat we zagen.

Die avond zetten we de tent op aan de voet van een andere klif - vol drieteenmeeuwen en Noordse stormvogels. Rond onze tent scharrelden goudplevieren en boven ons klonk het geblaat van een hemelgeit: watersnippen, het duizelt ervan. Overal waar we sindsdien sliepen klonk hun geluid. Sommigen herkennen er het geblèr van een geit in. Volgens mij lijkt het er in de verste verte niet op. Misschien heb ik daarvoor te weinig fantasie! Goed, het wemelt in ieder geval van deze mooie vliegende honderdjes. Overigens maken deze vogels dit geluid niet met hun bek, maar met een paar speciale veertjes die ze in duikvlucht in trilling brengen.

De volgende dag bracht ons de Blue Lagoon. De eerste toeristische attractie. Verwarmd afvalwater uit een geothermische-energiecentrale waar je heerlijk in kunt badderen. En het is nog goed voor je lijf ook. De opgeloste mineralen in het water zouden bijzonder heilzaam zijn voor psoriasispatiënten.

Toen was het uit met de pret. Op het volgende stuk van onze route lag geen asfalt. De weg werd slecht en als je dacht dat het niet erger kon: juist, nog erger. Het begrip weg kreeg een volledig andere dimensie. En we moesten nog berg op ook. Zestien procent stond er op het bordje. Het leek meer. Zwoegen en zweten. En afstappen en duwen. Onze energie werd uit ons lijf gezogen. Een tegemoetkomende pick-up stopte. "Jullie kunnen maar beter van de weg af, over twintig minuten wordt hier een auto-rally gehouden." Dat kan in IJsland dus maar zo! Gelukkig lag er een mooi weiland onder aan de heuvel. Dankbaar en gesloopt zetten we de tent op. We hadden voor het eerst kennis gemaakt met IJslands niet geasfalteerde wegen.

Niet veel later scheurden de eerste race-auto's voorbij. Door het losse gravel stuiterden ze onze berg op.

Er was geen groter contrast mogelijk. Het snerpende kabaal van de wagens tegen de stilte van de nacht. Voor het eerst - en eigenlijk ook het laatst - kreeg ik het gewenste Remi-gevoel. Alleen op de wereld: geen menselijk geluid. Slechts het "tuut" van de goudplevier verbrak soms de stilte. De stilte die compleet was: geen wind, geen branding, echt niets! Helemaal niks! Je kon je oren niet geloven, lag ingespannen te luisteren. Er moet toch iets zijn? Nee, het enige wat je hoorde was stilte. Túút. Gelukkig er was nog leven.

Deel 2.
We sliepen veertien uur aan een stuk. Met frisse tegenzin stonden we vervolgens op, want we beseften dat we met die beroerde steenslag weg nog lang niet klaar waren. Om je een idee te geven: over de volgende zestien kilometer deden we vier uur! Dat is langzamer dan wandelen. Ondertussen werd er ook nog twee keer dezelfde rally (heen en terug) gereden, met steeds minder auto's, dat wel.

Wat ook opviel was dat mijn broek steeds losser kwam te zitten. Wat heet: hie zakte mien alras van de konte. En een honger dat we hadden en vreten dat we deden. En het hielp niets. Ik ben hier nu ruim vier weken en ik val nog steeds af. Ik kan er gewoon niet tegenaan eten en inmiddels heb ik weer het lijf van 18-jarige.

Dus dames (heren), schuif al die diëten aan de kant en kom naar IJsland. Fiets er een paar weken (het is hartstikke mooi - net zo mooi als dat ik af en toe afzie), eet zoveel je wilt en je krijgt op de koop toe een prachtig figuur. Ik geloof dat ik dit idee maar eens commercieel ga uitbuiten.

Door vermoeidheid (?) misten we de toeristisch attractie bij Krysuvik: 's werelds grootste stoomgat. Zonder erg reden we er in ieder geval straal voorbij. Het was ons pijnlijk duidelijk geworden dat we ons oorspronkelijke plan om naar Latrabjarg in de Westfjorden te gaan moesten laten schieten. Dat zouden we in de eerste drie weken die Bonny tot haar beschikking had nooit redden. En daarbij: op de kaart was te zien dat er ontstellend weinig asfalt in de Westfjorden te vinden was. En daaraan hadden we op dat moment dringend behoefte.

Tenslotte bereikten we Reykjavik. Hier zouden we nieuwe plannen smeden. IJslands hoofdstad - 's werelds meest noordelijk gelegen hoofdstad - vond ik op het eerste gezicht ontzettend lelijk zoals ik steden doorgaans vind. Hier kwam er nog eens bij dat Reykjavik volledig is afgestemd op autoverkeer. Brede autowegen lopen door de ganse stad. En met auto's heb ik ook niks van doen. Dit in tegenstelling tot de IJslander. Ik heb het idee dat een auto daar echt een statussymbool is. Als je geen vierwiel aangedreven bak hebt met ontzettend brede banden onder je kont, dan tel je eigenlijk niet mee. Je vraagt je af waarom ze überhaupt hun best doen zoveel mogelijk wegen te verbeteren en te asfalteren! Met die wagens kom je echt overal.

Wat in Reykjavik ontbreekt is een echt ouderwets (winkel)centrum. Dat maakt het voor ons ook lastig de stad direct te begrijpen. Normaal gesproken richt je je toch op het centrum.

Echter hoe langer we in deze stad verbleven (inmiddels zo'n dag of zes), hoe meer we de schoonheid ervan begonnen te zien en hoe leuker het we daar vonden. Dat blijkt ook wel, de meeste steden hebben we na een paar uur wel gezien. Londen in twee dagen, toen moesten we daar echt weg. Kopenhagen, Oslo en Stockholm: ik geloof niet dat we er langer dan een dag zijn geweest.

Wat is er zo mooi aan Reykjavik? Allereerst zijn alle huizen geschilderd in vrolijke pastelkleuren (?). Kleuren die in Nederland in ieder geval niet verkrijgbaar zijn. Elk huis heeft een andere kleur (een huis heeft vaak zelfs meerdere kleuren) zodat er een uitbundige ratjetoe aan kleurschakeringen ontstaat. Met het zonnetje erop doet het heel gemoedelijk en lieflijk aan. Deze kleurenuitspatting van de IJslanders zal vast iets te maken hebben met de lange donkere winter die ze ieder jaar treft. De kleuren zullen wel ter compensatie zijn.

Dan nog iets dat te maken heeft met die winter. Het hele land, maar vooral Reykjavik staat vol kunst en zelfgemaakte voorwerpen. De IJslander mag tijdens de donkere dagen graag knutselen denk ik dan. Daarbij, Reykjavik, is dit jaar culturele hoofdstad van Europa. Op kunstgebied valt hier dus van alles te zien en te beleven.

Vervolgens de kerken in Reykjavik - toch plaatsen waar toeristen vaak gaan kijken. Ze zijn totaal verschillend van elkaar (maar allemaal even prachtig) en in schoonheid met een paar honderd jaar verschil voorsprong duidelijk de mooiste kerken die ik ooit heb gezien. En dat zijn er heel wat. Oké, deze stad heeft dus met ongekende voorsprong de mooiste kerken. Wat nog meer? De kerken, met name de grootste: de Hallgrimskirka heeft het mooiste glas-in-lood werk ooit gemaakt en door mij gezien. Buitengewoon!

De botanische tuin van de hoofdstad. Eindelijk een tuin die deze naam met recht mag dragen. Overzichtelijk en compleet met soorten kievitsbloemen waarvan ik het bestaan nog niet kende. Een formidabele prestatie: het aanleggen van zo'n tuin op deze breedtegraad. Oké, mooiste botanische tuin ooit gezien.

De Vulcano-show. Een film bij iemand in de garage met door hem zelfgemaakte opnamen van IJslands vulkaanuitbarstingen. De beelden zijn indrukwekkender en mooier dan die op National Geographic of Discovery. Oké, mooiste opnamen van vulkaanuitbarstingen ooit gezien.

Ik kan zo nog wel even doorgaan. Het zal echter duidelijk zijn: Reykjavik heeft gewoon van alles het mooiste (of het hoogste: de prijzen).

De plannen moesten worden gewijzigd dus wij naar het toeristen informatie centrum. Wij wilden met fiets en al de bus nemen naar de Westfjorden. Dat zou in ieder geval al een paar honderd kilometer fietsen (en tijd) schelen. Helaas, de eerste bus naar dat gebied zou pas over een paar dagen vertrekken (de wegen waren nog niet goed genoeg, slik!). Het volgende plan: dan eerst maar de Gouden-Cirkel-Toer fietsen. Tijdens deze rit kom je langs IJslands bekendste en grootste toeristische attracties. Een voordeel voor ons was dat we voordat het toeristische seizoen begon - met alle drukte van dien - het al gezien zouden hebben.

De Gouden Cirkel zouden we in een paar dagen kunnen doen en vervolgens konden we met de bus naar de Westfjorden en Latrabjarg.

Zo gezegd, zo gedaan. Allereerst naar Thingvellir: de kloof waar het Viking parlement zitting had. Dat was prachtig, net als het omliggende natuurgebied: lage berkenbosjes doorgroeit met groene mossen op een grillig lavaveld én vol met koperwieken.

Op naar Geysir. Wonderbaarlijk, die regelmatig spuitende geiser de Strokkur. Iedere vijf minuten of zo spoot een straal kokend water en stoom dertig meter de lucht in. Dit gebeurde al honderden jaren met de precisie van een klok. Daar word je wel even stil van. Bij Geysir zetten we de tent op.

De volgende dag gingen we - alleen met de fiets, de tent lieten we staan - op en neer naar de Gullfoss, volgens velen de mooiste waterval van IJsland. Laat ik het kort houden: de mooiste waterval die ik ooit heb gezien, deze gouden waterval met zijn regenboog.

Die avond bij Geysir op de camping spraken we een dronken IJslander (IJslanders, Noren en alcohol, op de een of andere manier gaat dat niet samen). Hij vroeg waar we heen gingen. "Eerst de Gouden-Cirkel-Tour afmaken en dan naar de Westfjorden," antwoorden wij. Helemaal verbaasd (hij kon ook al niet begrijpen dat we naar IJsland waren gekomen. "Er is hier helemaal niks - geen bomen - niks"): "Wat moet je daar dan?"
"Naar Latrabjarg, naar de papegaaiduikers."
"Je moet het zelf weten, maar het is er nu nog erg koud en er ligt nog sneeuw. Maar je moet het zelf weten! Waarom ga je niet naar de Westman-Eilanden? Daar barst het van de Puffins (papegaaiduikers). Daar eten ze ze zelfs op!"
Het opeten van papegaaiduikers, ik moet er niet aan denken. De aaibaarheidsfactor van die diertjes is me iets te hoog. Maar de Westman-Eilanden? Tja, waarom niet? Het moest daar volgens onze Elsense Piet, die er eerder was geweest, erg mooi zijn. Dat we er niet eerder aan gedacht hadden!

Dus bedankten we de aardige man voor zijn goede raad en zijn we via de Gouden-Cirkel-route die toevallig ook naar het zuiden ging naar de Westman-Eilanden gevaren. Maar eerst kwamen nog langs Kerid. Een oude explosiekrater met een meertje onderin.

De meeste IJslanders zijn bijzonder aardig. Ze spreken ook allemaal Engels. En die paar, die niet aardig zijn zijn ook echte horken. Echt grote lomperiken. Een tussenweg schijnt er niet te zijn. Of super aardig of lomp. Gelukkig is 80% aardig.

De caissières in de supermarkten zijn ook een slag apart. Mocht je ze in Nederland al chagrijnig vinden. Ga dan vooral niet naar IJsland! Bij die (vooral) meiden kan er echt geen lach af. Na vier weken hebben we nog geen enkele caissière zien lachen.

Leuker is het om te zien dat hier veel meiden in zogenaamde ‘mannenberoepen' werken. Op de Westman-Eilanden zagen we vrouwelijke schilders, bouwvakkers en tuinmannen, en zij deden hun werk met veel plezier.

Dat voetbal hier een populaire sport is (net als golf) is duidelijk te zien. Op de Westman-Eilanden - met een dorpje van niks - liggen drie uitstekende velden (kan de Arena nog wat van leren). Een hele prestatie gezien de groei omstandigheden en het feit dat ze vrijwel continu bespeeld werden door jongens en meisjes, ja iedereen.

Het EK-voetbal is ook hier uitgebreid op televisie. Niet dat ik er iets van gezien heb. In de wildernis waar ik me het liefst op houd vind je geen t.v.'s. En terwijl jullie naar Nederland - Frankrijk kijken breek ik vliegensvlug de tent af. De windkracht neemt met de minuut toe. Ik ben niet van plan af te wachten bij welke kracht (10 of zo) de tent het begeeft en pak met moeite in. Ook dit is IJsland. Het is nu maar de vraag waar ik vannacht zal slapen. Misschien gaat de wind weer spoedig liggen.

Deel 3.
Paniek in Nederland! Een zware aardbeving op IJsland. Of alles wel goed met me was? Ik heb kennelijk heel goed geslapen, want ik heb er niets van gemerkt. Bij die kleine aardbeving een paar jaar terug in Nederland rolde ik bijna uit bed. En hier slaap ik nota bene door twee - de tweede was nog zwaarder - bevingen heen. Deze bevingen waren ook voor IJslandse begrippen zwaar. Bij de tweede beving schijnt Selfoss, een plaats in het zuiden waar we twee weken voor de aardbeving nog waren, behoorlijk getroffen te zijn. Nu is het wachten op die grote vulkaanuitbarsting. Wie weet als ik bij Myvatn ben!

Ze zeggen dat IJsland uit ruige, ongerepte natuur bestaat. Laat ik dit misverstand maar uit de wereld helpen. De invloed van de mens is namelijk enorm groot op de aanwezige natuur en het landschap. Je struikelt gewoon over de schapen (met ieder twee lammetjes) en de IJslandse pony's, die, dat moet gezegd worden , heel mooie, lieve en nieuwsgierige dieren zijn. Vluchten de schapen in de grootste paniek als ze mij en mijn fiets zien naderen, de pony's komen voor het grootste deel naar me toe en blijven met een nieuwsgierige, geïnteresseerde blik staan kijken. Koeien zie je niet zoveel. Maar voor al het vee geldt: je hebt ze in alle kleuren en met vlekken bovendien.

De teloorgang van de IJslandse natuur startte lang geleden toen de eerste Vikingen hier vaste grond onder de voeten kregen. Zij introduceerden op het eiland (waar geen grazers voorkwamen) genoemde schapen en pony's. Die beesten vraten zich een slag in de rondte zodat de oorspronkelijke begroeiing rap verdween. Geloof het of niet maar IJsland zou destijds grotendeels bebost zijn geweest. Dus van ongerepte natuur is hier absoluut geen sprake.

Integendeel, de loslopende schapen veroorzaakten zoveel bodemerosie dat begroeide vlakten loslieten en de wind de aanwezige bodem wegblies. Wat overbleef was kale rots. En daarvan zie je genoeg.

De IJslanders gingen het probleem te lijf. Op veel plaatsen waar geen schapen mogen of kunnen komen zie je nu blauw paarse lupines groeien. Deze soort lupine komt oorspronkelijk uit Alaska. Het is de bedoeling om door het op grote schaal uitzaaien van deze plantensoort de bodem vast te houden en te verbeteren. Dat schijnt te lukken. Maar ja, de introductie - op deze schaal - van een niet inheemse plant kun je natuurlijk moeilijk scharen onder het kopje ongerepte natuur.

In de Westfjorden schijnt een plaats te zijn waar al heel lang geen schapen meer voorkomen. In dit natuurgebied moet je de oorspronkelijke vegetatie van IJsland kunnen vinden. Het is niet iets voor deze reis (te moeilijk bereikbaar) maar ooit zal ik er eens gaan kijken.

Om een tweede vooroordeel uit de weg te ruimen: het is altijd slecht weer op IJsland. Daar merk ik tot nu toe helemaal niets van. Ik heb al weer twee keer mijn lippen verbrand en mijn neus is voor de tweede keer aan het vervellen. Het regent zelden en wanneer dat het geval is zijn het miezerbuitjes waar je je regenbroek niet voor aan hoeft.

Toch, incidenteel kan het heel even flink te keer gaan: even een flinke hagel- of regenbui. Een tijdje later schijnt de zon weer volop!

Het grootste probleem voor de fietser op IJsland is in het algemeen niet de weg of de aanwezige bergen. Nee, de wind is vaak de grootste spelbreker. Heb je die eenmaal tegen dan kun je het schudden. Zelfs op asfalt kom je dan praktisch niet vooruit (op een vlakke weg + 10 km/uur). De wind waait altijd en overal en is altijd koud. Het begrip windkracht heeft hier ook een totaal andere betekenis. Een IJslander spreekt pas van storm als de vogels achteruit vliegen. Heb je de wind mee dan is het feest. Juichend gaat het over de wegen met makkelijk 30 km/uur. Zelfs op niet asfaltwegen kom je dan goed vooruit. Mijn topsnelheid bedraagt tot nu toe 63 km/uur. Vanzelfsprekend was dat bult af. Het is daarbij al weer een opbeurende gedachte dat ik deze berg op de terugweg moet beklimmen!

Ik had er net al zo een! Maar daar zit een verhaaltje aan vast.
Het was de eerste pauze van de dag. Na mijn dagelijkse pakje yoghurt had ik even naar huis gebeld (de mobiele telefoon doet het praktisch overal). "Hier alles goed, daar alles goed." Met goede vooruitzichten - een lange afdaling plus wind in de rug - hervatte ik de etappe. Ik vloog en een uur later was ik dertig kilometer verder. Tijd voor pauze, die had ik wel verdiend. Acht sneetjes brood met kaas verdwenen in hoog tempo en werden weggespoeld met een halve liter Fanta. Daarna heb ik een uurtje heerlijk op een bankje liggen zonnen.

Als het zo doorging zou ik snel op het einddoel van die dag zijn. Echter, op een dag in IJsland gebeurt altijd wat. Ik zag hem al aankomen, die reusachtige klim (stijgingspercentage 10%) en eindeloos lang. Halverwege was ik, op het kleinste verzet trapte ik 6 km/uur. De slakken renden me voorbij.

Opeens voelde ik iets. Iets wat er had behoren te zijn ontbrak: mijn rugzak met fototoestel en wat nog belangrijker was mijn volle rolletjes. Shit! vergeten. Het was alsof de helling me uitlachte. Als de wiedeweerga fietste ik terug. Nu met wind tegen. Mijn arme bovenbeenspieren brandden gewoon van de pijn. Op de pauze plek aangekomen, niks. De rugzak lag niet op het bankje waar ik had liggen bijkomen. De aarde zakte nu onder me weg. Maar dan, dan lag hij nog 30 km terug (als ie er nog lag). Op de eerste pauze plek. Dertig kilometer terug met die tegenwind en met de macht die ik nu nog in mijn benen had. Dat zou drie à vier uur fietsen worden. Ik was geen blij man.

Op IJsland is ook de redding altijd nabij. Zolang als ik op het bankje had liggen rusten was er niemand bij het informatiebord gestopt. Terwijl ik even stond te treuren stopte er een busje met vouwwagen; een man, vrouw en twee kinderen. Ze gingen de goede kant op. Uitgerekend deze mensen kenden twee woorden Engels. Maar gezien de wanhoop in mijn ogen kon ik mee. De fiets liet ik achter.

Na een eindeloze rit naderden we mijn eerste pauze plaats. Mijn hart maakte even een vreugdesprongetje. De tas lag er nog. Ik werd bij wijze van spreken voor de deur afgezet en heb die mensen hartelijk "thank you very much" gezegd. Dat begrepen ze nog wel. Nu nog terug zien te komen bij de fiets. Maar al zou ik moeten lopen. Kon me niks schelen.

Het was de eerste keer dat ik echt liftte. Ik had er geen vertrouwen in. Groot was mijn verbazing dat direct de eerste auto stopte! In geen tijd was ik terug bij de fiets. Ik was weer helemaal compleet en een lang uur verder. Maar die heuvel lachte me nog steeds uit.

De IJslander, met zijn zoontje en hun onuitspreekbare namen, die me meenam had als favoriet voor de eindoverwinning op het EK-voetbal Nederland. Hij was vol lof over Bergkamp en Overmars, zijn favoriete clubteam was Arsenal. Onder zoveel lof begon ik maar over wat IJslandse spelers die bij Feijenoord hadden gespeeld. Petur Petterson, een oude spits van Feijenoord, is nu coach bij het team van Reykjavik.

Over avonturen gesproken. De hongerklap was er ook een. De weg voerde pal naar het noorden, de wind kwam vol naar het zuiden en dan lagen er ook nog een paar prettige heuvels. Langs die weg was geen eten te krijgen. Geen probleem, de voorraad die ik bij me had moest voldoende zijn. Helaas had ik toen nog niet eerder zo ernstig kennisgemaakt met mijn vriend de wind.

Ik schoot niet op. Mijn spieren leken als verlamd en het eten vloog door mijn darmen. Niet alleen van de inspanning maar ook vanwege de ijzige wind. Het lijf moest op temperatuur blijven. Stilstaan met een bezweet lichaam was vragen om moeilijkheden. Op een gegeven moment werd het duidelijk: ik zou het met het eten niet redden. De laatste avond hield ik wat eten over voor het ontbijt de volgende dag en ik had nog twee sneetjes droog brood. Daar moest ik dertig kilometer op fietsen onder dezelfde omstandigheden. Ik dacht dat ik dood ging (overdrijven is ook een vak, in IJsland kom je niet zo snel in levensgevaar met al die aardige mensen). Zat te sterven op de fiets. Nooit had ik mijn spieren zo leeg gereden. Als ik niet meer kon fietsen dan liep ik een eindje omdat je daar iets andere spieren voor gebruikt. Later hielp ook dit niet meer. Rusten hielp ook niet. Had ik een uur gerust, dan was de honger ook weer een uur erger geworden. Ik had eens gehoord dat je om goed lichaamsvet te kunnen verbranden je veel water moest drinken. Liters vlogen er doorheen. Op een gegeven moment hield ook het water het rommelen in mijn buik niet meer tegen.

Ik heb het gered. Een tankstation met wat kruidenierswaren bracht de verlossing. Maar wat trilden mijn benen. Om dit niet meer mee te maken heb ik de volgende dag in de eerst volgende grote supermarkt heel veel eten gekocht. Het paste amper op de fiets en de aanhanger. Dit zou me niet meer gebeuren.

Een Duitser, ook een fietser (eindelijk een, ik dacht even dat ik de enige op heel IJsland was), stond een paar dagen later verbijsterd te kijken naar mijn voedselvoorraad.

Eieren, yoghurt, vruchtencruesli, rijst, macaroni, blikken bonen met sausjes, snickers, fles Fanta en een paar pakken melk. Vast jaloers. Zelf had hij drie kilo muesli bij zich, waarvan hij bij iedere maaltijd zes eetlepels nam. Een potje thee erbij en dat was het. En 's avonds twee bakkies soep. Ik zou het daarmee absoluut niet redden. Maar hij had wel meer vreemde ideeën. Hij wilde in drie weken de hele ringweg fietsen. Even afgezien of dat mogelijk is, waarom zou je dat willen? Je mist een hoop moois en een prestatie is het ook niet. Je loopt de Nijmeegse Vierdaagse toch ook niet om als eerste finishen?

Hij had zijn plannen al moeten bijstellen. Op het gedeelte waar ik stuk ging, had hij (met zijn lichte bepakking) ook afgezien. Die dag had hij slechts 80 km gefietst. Dat paste niet in zijn schema dat voorzag in 120 km per dag. Hij zou een stuk met de bus gaan, watje!

Deel 4.
De ergste wegen voor de fietser zijn de niet geasfalteerde wegen die net gerepareerd zijn. In deel een hadden we zo'n weg waar ze los gravel overheen hadden gedonderd en waar onze wielen zo lekker in wegzakten en zojuist had ik een paar kilometer waar ze grind (zoals wij dat kennen voor in de tuin) hadden opgebracht. Iedereen weet dat je op grind niet kunt fietsen en als het dan ook nog een dikke laag is, dan hangt het zweet weer in druppels aan het haar.

Beroerd zijn ook de wegen de echt helemaal kapot zijn gereden, daar komen grote keien door het ‘wegdek' waar je zo lekker overheen stuitert. Op deze wegen vind je ook vaak stukken wasbord, van die achter elkaar liggende ribbels en kuilen. Hier moet je echt goed opletten anders lig je zo op je muil. Ook al omdat je geen vaart kunt maken.

Ik ben ertoe overgegaan 's avonds en 's nachts te fietsen. Niet alleen wordt de wind 's avonds merkbaar minder, ook de drukte op de Ringweg neemt af doordat alle toeristen een slaapplek hebben gevonden. Ik denk dat zowat 70% van het verkeer toerist is! Het is wat met die percentages; het percentage aardige IJslanders heb ik bijgesteld naar 90.

Het mooiste is wel de IJslandse nacht. Met ondergaande zon reed ik langs de Noordelijke IJszee. Die kleuren! De in het zonnetje nog net oplichtende bergen achter me, met de laatste restjes sneeuw die roze lijkt in dit licht. Daarbij de bergen die al in de schaduw lagen. De stilte die overheerst. Af en toe een roepende vogel, of een aanval van een Noordse stern die me op mijn kop pikt, de zuivere lucht, een sprookje is het.

Of die nacht langs de bergpas van öxnadalsheidi. Adembenemend (vooral het westelijke deel). De wolken hingen als een plafond tien meter boven me, naast me een geweldig mooie diepe kloof, met helemaal onderin een woest riviertje. Wederom die kleuren, de stilte -zelfs het geluid van de rivier was hierboven niet hoorbaar-. Alleen het zwoegen van de banden op het asfalt en mijn eigen gehijg. Verder niets. Ja, de felle kou als ik stilstond. Het zou me niks verbazen als het vroor.

Op IJsland valt het pas goed op hoe lawaaierig en stinkend auto's eigenlijk zijn. Je hoort ze van kilometers ver aankomen en als ze je passeren, knijp je van schrik je neus dicht. In Nederland merk je dit helemaal niet meer.

En dan de toeristen. Je hebt ze in alle soorten en maten. Eerst de IJslanders zelf. Zij zijn te herkennen aan een enorme 4 x 4 Jeep met daarachter een vouwwagen die nog breder is. Zo brengen zij hun vrije dagen op de camping door. Dan de volgestouwde wat grotere auto's, soms zelfs een grote 4 x 4. Daarin opgepropt tussen hun spullen zitten zoveel mogelijk ‘sportieve' toeristen. Dit om de kosten van de autohuur te drukken. Dan de goedkoopste personenauto's, daarin zitten meestal stelletjes die in hun zondagse sportieve kleren van attractie naar attractie rijden. Daar blijven ze doorgaans zo'n tien minuten hangen.

Medelijden heb ik met de toeristen die per bus reizen. En dan bedoel ik niet degenen die met de normale bus gaan (helaas rijdt die niet, de chauffeurs staken al zes weken en daar is eerst Bonny slachtoffer van geworden en ik dreig dat nu ook te worden) maar degenen die zogenaamde busreizen of -excursies maken. Als vee stormen ze uit de bus om die ‘waterval' te bekijken. Snel, snel, snel, want een kwartier later moeten ze weer terug de bus in. En dan zijn er nog mensen die dan al ongeduldig staan te wachten op hun medepassagiers! Die zien, of willen de schoonheid ergens niet van inzien. Arme drommels.

Voorbeeldje: een bus Duitsers bij de Godafoss (Godenwaterval). Vrouw stormt met de klik-klak-camera naar een plek om 'm te fotograferen. Man stormt er achteraan. "Steht er ganz drauf?" "Ja." "Nun, druck mal." En gezamenlijk wandelen ze terug naar de bus. Het duurde bij elkaar nog geen minuut.

Bij die waterval - een mooie - heb ik met miezelregen zo'n drie uur doorgebracht. Het zou toch ook te gek zijn om op een plek waar je een dag voor moet fietsen, na vijf minuten weer te vertrekken, en daarbij: de beloning licht in de moeite, toch?

Ik heb het al lange tijd niet meer over toeristische hoogtepunten gehad. Ik vind bijna het hele land mooi maar in het rijtje Thingvellir, Geysir en Gullfoss passen ook de Rhaunfossa (lavawaterval) bij Husafell en de genoemde Godafoss in het Noorden.

Bij de lavawaterval zag ik mijn eerste Harlekijneenden (broeden in Europa alleen op IJsland). Het bijzondere aan deze magnifieke waterval is dat het water onder een lavaveld toestroomt en dan in de diepte stort. Ik heb er twee dagen van genoten en als Bonny terug is gaan we weer.

Van een heel andere orde: de mooiste plaats op aarde is het Myvatn. Wat ik daar heb gezien!!!! Het landschap hadden ze op de Efteling niet kunnen bedenken. Het was wederom nacht toen ik daar aankwam. Die sfeer, dat licht, die onwerkelijke pseudokraters, die grillige lavabeelden, die rotseilandjes met bonsaiboompjes, die enorme zwarte explosiekrater. En weer was ik de enige die er op dat moment van genoot.

De volgende dagen heb ik geprobeerd de sfeer te fotograferen die me die nacht trof. Dat is niet gelukt. Zo'n eerste indruk krijg je maar eenmaal. Het overkomt je. Ook toen ik op de terugweg weer langs de öxnadalsheidi pas kwam, deed het me niets meer. Het zag er bij daglicht gewoon niet uit!

Deze drie momenten:

1- tocht Noordelijke IJszee

2- tocht over de öxnadalsheidi-pas

3- aankomst Myvatn

zijn tot nu toe m'n mooiste herinneringen. Mooier dan een waterval af geiser omdat deze zaken ongrijpbaar zijn. Van een waterval of gletsjer maak je een foto. Mijn momenten waar alles op zijn plaats viel: vermoeidheid, stemming, kleurenpracht, stilte, schoonheid, emotie en sfeer bestaan alleen nog in m'n gedachten en daar worden ze steeds mooier. Ik geloof niet dat je dit soort dingen beleeft tijdens een autovakantie.

Het Myvatn is absoluut een must voor een IJsland reis. Dichtbij ligt een heel mooi geothermisch gebied. Daar pruttelt de modder, borrelt het water, stoomt het met geweld uit heuveltjes en sist en fluit het uit kleurrijke gaten. Hier blaast moeder aarde letterlijk stoom af. Laat ik het verder maar niet over kleuren hebben.

Ik heb gewandeld tussen nog gloeiend hete lava die pikzwart was. Stoom dreef aan alle kanten langs me heen. Ik heb IJslandse brilduikers gezien (broeden in Europa alleen op IJsland), ijsduikers en kuifduikers; allemaal prachtige vogels. Ik beleefde een ware hittegolf: 25 graden en meer. Het was te warm om iets te doen. Nou ja, ik heb Nederland - Italië gekeken. Had ik beter niet kunnen doen. Wat een traditionele sof. (Ik sprak later twee Amerikanen die op dat moment in Reykjavik waren. "Het was daar steenkoud, mistig en door de harde wind viel er twee dagen niet te fietsen." Raar land he.)

Dit leventje bevalt me uitstekend. Een stukje fietsen, veel leuke dingen zien en meemaken, een beetje fotograferen, lekker rustig schrijven, heerlijk bijkomen in het zwembad en 's avonds (of wanneer ik daar zin in heb) een potje eten koken. Als ik miljonair zou zijn, geloof ik niet dat ik nog wat anders zou doen dan dit. Dit is het perfecte leven.

Geen gezeur aan de kop over onbenullige dingen. Geen televisie, krant, nieuws of reclame die zich opdringt. Zelfs m'n muziek mis ik niet. Tot nu toe val ik iedere avond moe maar uiterst voldaan in een diepe slaap.

Buiten de familie en vrienden die ik wel weer zou willen zien, mis ik m'n zaterdagse partijtje voetbal. "Jongens, maak je borst maar nat want als ik terug ben, heb ik een conditie als een paard." Ik zou ook m'n neefje willen zien. Die heb ik alleen nog maar gezien toen hij een dag oud was. En ik ben benieuwd naar de vorderingen van Heidi. Naar hetgeen ik al gezien had, worden de tekeningen voor het boek prachtig.

Waar ik ook nieuwsgierig naar ben, is het resultaat van m'n fotowerk. Bonny heeft inmiddels al heel wat dia's in geraamd en volgens haar zaten er de nodige klappers bij. Het zal nog een flink aantal weken duren voordat ik het met eigen ogen kan zien.

Tegenover Bonny voel ik me een beetje schuldig. Al die dingen die ik tijdens haar afwezigheid heb gezien. Ik denk dat we de komende jaren nog maar eens een paar keer terug moeten naar IJsland.

Ik ben nu bezig met wat de zwaarste beproeving van de reis moet worden: een tocht dwars door het binnenland van IJsland. Deze binnenland wegen zijn slechts enkele maanden (soms weken) per jaar toegankelijk. Er zijn twee grote routes die Noord - Zuid lopen: de Kjölur en de Sprengisander. Ik volg de Kjölur (de mooiste zeggen ze en tevens de kortste van de twee), van noord naar zuid want volgens mij komt de wind meestal uit het noorden. Op 171 km van deze route woont helemaal niemand en tussen de twee dichtst bij zijnde supermarkten ligt ongeveer 250 kilometer. Halverwege echter is een geothermisch gebied: Hveravellir waar toeristen elkaar treffen en waar een camping is (zonder eten).

Tot aan Hveravellir was het een eitje. Alleen de laatste zeven kilometer ging over slechte weg. Echt hele slechte weg. Van het soort: totaal kapot gereden grote keien weg. Tijdens de tocht passeerden mij een paar personenauto's. Van die kleine. Ik heb ze niet terug zien komen, dus ik hoop voor de inzittenden dat het een huurauto betreft. Hier zou ik een gewone auto niet aan wagen. Volgens mij denken die mensen, dat wanneer ze niet dwars door een rivier hoeven, dat dan alles kan (wat blijkt). Dat was voor mij trouwens een meevaller. Ik ging ervan uit dat ik vier rivieren moest doorsteken. Toen bleek dat die ijverige IJslanders de laatste jaren overal dammen en bruggen hadden gebouwd! Geen natte voeten dus. Hoewel, ik heb m'n vermoeide spieren heerlijk ontspannen in de warmwaterbron van Hveravellir. Ik heb zalig gepoedeld.

Op IJsland komen zeven soorten orchideeën voor. Ik heb er inmiddels vijf van gezien waaronder - gelukkig - de soorten die alleen op IJsland voorkomen. Zover ik kan beoordelen zijn orchideeën en bijvoorbeeld een plant als vetblad ('n vleeseter) hier niet zeldzaam. Dat komt omdat veel bodems erg arm aan voedingsstoffen zijn. De orchideeënveldjes zijn vaak werkelijk om van te smullen, en er is geen toerist die er naar kijkt!

Een rijtje vogels die je vaak in het binnenland ziet (daarmee bedoel ik de niet kustvogels, want in het echte binnenland leeft niet zo bar veel) zijn de volgende: tureluur, watersnip, grutto, regenwulp, goudplevier en graspieper. De eerste drie - wij noemen dat weidevogels - doen het in Nederland slecht. Hier struikel je erover. Het opvallende is dat een andere traditionele weidevogel (in Nederland) de kieviet hier niet of zeer zeldzaam voorkomt. Ik ben benieuwd of de 'weidevogelstand' op IJsland zal toenemen. Wat ik ervan zie, springen de boeren hier niet bepaald zuinig om met kunstmest. Dat moet gevolgen hebben voor de vogels, en de orchideeën.

Nummer 4. van mooiste momenten: de afdaling aan het eind van de Kjölur van de Blafell.

Het begin van de Kjölur (voor mij in het Noorden) viel behoorlijk tegen. De weg was goed maar de omgeving weinig spectaculair. Eerst wat vriesbulten met heide erop en daarna grasvelden met de onvermijdelijke schapen. Vlak voor Hveravellir werd het mooier. Het landschap veranderde in een steenwoestijn en in de verte doken de immense gletsjers Langjokull en Hofsjokull op. De tocht werd naar het einde toe steeds mooier. Zwarte gravelwoestijnen - met soms overvloedige plantengroei! - werden opgevolgd door steen- en rotswoestijn. En dit alles werd geflankeerd door de twee gletsjers en een hoge bergrug - met nog veel sneeuw - direct voor me. Het is goed dat ik in het noorden ben gestart, zo fietste ik naar het mooie toe. Dat geeft moed op deze inmiddels aan een binnenlandweg denkend wegdek.

Tjonge jonge, wat is het weer werken. Aan het eind volgde een stukje beklimming van de Blafell. Daarna een formidabele afdaling naar het laagland. Indrukwekkend. Nog een reden om van noord naar zuid te fietsen: de beklimming van de Blafell vanuit het zuiden moet duivelswerk zijn. De tocht door het binnenland kreeg hiermee een waardig eind.

Bij de Gullfoss heb ik om twee uur 's nachts eten gekookt. Ik had hem helemaal voor mezelf. Hij leek woester dan bij ons eerste bezoek. Bij Geysir de volgende dag wachtte een wel heel smakelijk toetje. Ik heb de grote Geysir zien spuiten! Zeker tot dezelfde hoogte als zijn broertje de Strokkur en dat zonder kunstmatige ingrepen als het ingooien van zeep. Het schijnt dat door de recente aardbevingen de activiteit in het geothermische veld behoorlijk gestegen is. De bezoeker wordt daar door middel van bordjes ook op gewezen: ‘gevaar, verhoogde activiteit'. De bronnen die we eerder hadden gezien en die rustig lagen te stomen waren veranderd in heftig borrelende potten. En dus als klap op de vuurpijl: de grote Geysir zelf is na tientallen jaren tot leven gekomen!

Daarna ben ik naar Hveragerdi gefietst. Daar zouden zich ook geisers bevinden. Als ze er al waren stelde het niet veel voor...... Dat plaatsje is net Huissen. Wie Huissen mooi vindt moet er maar eens gaan kijken. Allemaal broeikassen. Het is IJslands grootste kassengebied. In plaats van dat ze met aardgas worden verwarmd gebruiken ze hier aardwarmte uit het onderliggende geothermische veld. Milieuvriendelijk, en ze zijn zelfs in staat bananen te kweken. Zelf zag ik veel kassen met rozen.

De eerder genoemde creativiteit van de mensen op IJsland kan natuurlijk ook voortkomen uit de onwerkelijke landschappen en steeds andere vergezichten. Daar moet je wel inspiratie van krijgen.

Ik had tijd over - voor Bonny terug zou komen - dus besloot ik het stoomgat (zie groeten uit IJsland deel 2 of 3) bij Krysuvik te gaan zoeken. Maar niet eerder nadat ik eerst bij de Krysuvikerberg de gekleurde steile kliffen vol drieteenmeeuwen en zeekoeten had bezocht. Volgens het boekje zouden er ook ontelbare papegaaiduikers broeden. Nou, mooi niet. Degene die dat boekje heeft samengesteld, zo wordt me langzaam duidelijk, is zelf lang niet overal geweest. Helaas, geen fotografeerbare papegaaiduikers. Er zaten er wel een paar hoor, met de nadruk op paar.

De tijd begon nu te dringen voor mijn fotoreportage van deze grappige vogels. De hoop was nog steeds gevestigd op Latrabjarg. Die plaats was - door de nog steeds voortdurende busstaking - zo ver weg, dat ik begon te vrezen dat tegen de tijd dat Bonny en ik daar aankwamen de jonge vogels - met hun ouders - gevlogen zouden zijn. Weg fotoreportage!

Goed, het stoomgat. Vreemd was het niet dat we er destijds langs zijn gereden. Ook toen heb ik het bordje Verboden toegang, gevaar gezien. Wist ik veel dat daarachter het betreffende geothermische veld lag. Als eigenwijze Hollander fietste ik dit keer de bordjes voorbij en vond al snel wat ik zocht: pruttelende modder en stomende potten. Ik was in de buurt, maar waar lag dat grootste stoomgat van de wereld? Van een paar Belgen kreeg ik het antwoord. Het gat had in al zijn wijsheid besloten nog groter te worden en door zijn overmoed bestaat het nu niet meer: het is in februari geëxplodeerd! (Toen ook de Heklavulkaan uitbrak.) Het halve terrein, compleet met souvenierswinkeltje, is de lucht in gegaan. Omdat zoiets weer kon gebeuren, mocht je er niet komen. Zo lust ik er nog wel een paar. Heel IJsland kan op ieder moment in de lucht vliegen. Daarom heb ik de andere helft die helemaal in tact was, met wandelpaden en al, uitvoerig gefotografeerd.

Er liggen meer geothermische velden bij Krysuvik. De andere die ik bezocht, ligt redelijk ver van de weg verscholen in de heuvels. Dat veld is absoluut de moeite waard. Er komt bijna niemand (te ver lopen voor de buspassagiers) en daarom zijn er ook geen hekjes of wandelpaden. Een stuk ongerepte natuur dus, waar je zelf het risico moet inschatten. Het mooiste daar was een ontzettend heftige sputterende modderpot. De heftigste die ik gezien heb. En een stoom dat er vanaf kwam. Zou het soms....? Nee, ik denk het niet.

Peng, zo mijn eerste spaak ligt eruit. Heeft toch bijna acht weken geduurd. De ellende kwam niet alleen. Het weer werd slecht. Regen en wind in Reykjavik. Na bijna acht weken stralende zon was ik haast vergeten hoe dat voelde. De IJslandse Goden waken echter nog steeds over me: De staking is voorbij, de bussen rijden weer. Papegaaiduikers, we komen eraan!


Deel 5.
Latrabjarg (de Westfjorden) en Landmannalaugar

Het zag ernaar uit dat na vier vergeefse pogingen alles goed zou komen. Eerst zagen we er van af om naar Latrabjarg te gaan omdat we bang waren voor de slechte wegen. Toen we daarna met de bus wilden gaan, bleek deze nog niet te rijden. Vervolgens raadde een IJslander ons aan om naar de Westman-Eilanden te gaan. En dan was er nog de inmiddels gestarte en voortdurende busstaking. Latrabjarg ons eerste reisdoel; het leek alsof we er niet mochten komen.

Na een rustdag voor Bonny - bij haar tweede bezoek - in Reykjavik en voor mij de nieuwe Harry Potter namen we de bus naar Borgarnes. Ik had dat stuk al eens gefietst en kon er daarom mee leven. Die dag klaarde ook het weer op. Vanaf Borgarnes, met het windje in de rug reden we nog zo'n vijftig kilometer. Onderweg kwamen we langs twee leuke watervallen en op een meertje zagen we een paartje roodkeelduikers met een jong. Het leek perfect.

De volgende dag hadden we continu regen en harde wind. Dat werd een dagje tent. Ook de dag daarop gaf beroerd weer. Door tijdsdruk moesten we nu wel. We regenden zeiknat. Het water stond vijftien centimeter hoog in de schoenen. We bereikten wel ons doel: Stykkisholmur, waar vandaan de veerboot naar Flatey en de Westfjorden vertrekt. Ondanks het weer was het een mooie dag. De bergrug die we op de fiets namen, was in ieder geval onder deze omstandigheden indrukwekkend. En tijdens de 3,5 uur durende boottocht passeerden we talloze kleine eilandjes met tienduizenden vogels.

De dag erop, toen ik de ogen opende was het weer mis. Het tikte opnieuw op de tent. We reden slechts zo'n tien kilometer naar het volgende gehucht. Daar lagen we de rest van de dag in het piepkleine maar lekker warme openlucht zwembad. Die nacht sliepen we in een school. Dat klinkt misschien vreemd. Het is hier echter gebruikelijk dat in de drie maanden die de kinderen zomervakantie hebben je tegen betaling in de lege scholen je slaapzak kunt uitrollen. Het was vreemd om na lange tijd weer een echt dak boven me te hebben. Buiten woei en regende het vrolijk verder. Zou m'n geluk dan echt op zijn? Door de rustdag en de regen raakten we voor mijn gevoel al drie dagen achter op schema. Ik wilde zo graag naar Latrabjarg!

Volgens plan zouden we na de Westfjorden (Latrabjarg en de Dynjandi-waterval), via de Lava-waterval en een stukje binnenland (via de Kaldidalur in Husafell) naar Landmannalaugar in het Zuiden rijden. En dit in de vier weken tijd die Bonny deze keer tot haar beschikking had. Dat zou krap worden.

Na de school maakten we voor het eerst echt kennis met de Westfjorden. IJslanders leggen zoals gezegd - geloof ik - de wegen recht tegen een bult aan. Dat geeft steile hellingen in de rest van IJsland. In de Westfjorden lopen de wegen loodrecht de berg op! En lang!

Het verbaasde ons niet dat we in de acht dagen die we in dit gebied waren geen enkele andere fietser zijn tegengekomen. En dit terwijl het vakantieseizoen in volle gang was en het op de Ringweg waarschijnlijk barstte van de fietsers. Waren zij soms beter ingelicht?

Toch kregen wij gelijk. De tocht naar Latrabjarg, een doodlopende weg van 49 kilometer, was wonderschoon en dodelijk vermoeiend. Latrabjarg zelf gaf me gelukkig de papegaaiduikers die ik wilde. Niet qua hoeveelheden maar wel in benaderbaarheid: je kon ze zowat aanraken! Het fotograferen was dus geen probleem. Tenzij je hoogtevrees zou hebben. Het klif is veertien kilometer lang en op zijn hoogste punt bijna 450 meter hoog. De wanden zijn overal loodrecht. De papegaaiduikers zaten op het bovenste randje. Plat op de buik, vooral niet naar beneden kijken, en maar hopen dat de rots onder je niet afbrak.

Helaas, de papegaaiduiker-foto die ik in gedachten had, kon ik ook op Latrabjarg niet schieten. Ik wilde er een met visjes in de bek en het liefst staande voor zijn broed hol. De holen zoals we die wel op de Westman-Eilanden hadden gezien, ontbraken hier echter. Wat we wel zagen: onze eerste poolvos! Latrabjarg is trouwens het westelijkste puntje van Europa. Voor sommigen een reden om erheen te gaan (net als naar de Noordkaap in Noorwegen). Voor ons niet meer dan een leuke bijkomstigheid.

Dan was er nog die golden-retriever. De honden op IJsland zijn heel lieve dieren. Wellicht kun je aan het gedrag van de honden de volksaard van de mens afleiden. Als je voorbij fietst komen ze je altijd vriendelijk begroeten, ze kwispelen, soms blaffen ze maar ze springen nooit tegen je op. Regelmatig loopt er een met je mee. Ik had er een keer een die sjouwde kilometers achter me aan en voor me uit. Al ging ik met dertig km/uur van de helling, hij hield me bij en ging zelfs sneller! Dat dier had een betere conditie dan menig Nederlands soortgenootje dat niet verder dan de huiskamer en het eerste het beste poepveldje komt. Met wat geluk twee keer per dag.

De golden-retriever liep met ons mee vanaf het laatste dorpje voor Latrabjarg tot de kampeerplek. We zetten de tent op en liepen de laatste twee kilometer naar het klif. De hond volgde trouw. Die nacht - 'n koude - sliep het beest naast onze tent! De andere kampeerders dachten al dat het onze hond was. Maar goed, de hond moest ook eten en wij hadden amper genoeg voor onszelf. We gaven hem een paar overlevingsbiscuits en een snee brood die hij hongerig opat. Dit keer gingen we op de fiets naar het klif. ‘Gelukkig' bleef de hond hangen bij een andere wandelaar. Pas later, toen we terugliepen richting fiets van onze wandeling langs het klif, kwamen we de retriever weer tegen bij weer andere wandelaars. Zij deed net alsof ze ons niet kende! Maar toen we later - na de vogels nogmaals te hebben gefotografeerd - terugkwamen bij onze tent was ze daar weer. En ze leek niet van plan te gaan. Ze had d'r slaapplaats alweer gekozen. En terwijl wij zaten te eten, lag het arme dier te rillen. Uiteindelijk heeft ze nog een halve ontbijtkoek en een snee brood van ons gekregen. Voor mij was het duidelijk, nog een nacht buiten en het dier zou ziek zijn. Waarom ging ze niet gewoon naar haar baasje?

Daarom ben ik teruggelopen naar het dorpje een paar kilometer terug. Zoals verwacht volgde ze me. Het bleek al snel dat de retriever zich goed kon redden. Uit zee haalde ze een stuk vis dat ze opat. Achter iedere eend die ze zag ging ze aan - als een goede jachthond. En bij een klein plasje kreeg ze zelfs een jonge eend te pakken. Het kopje van de doodgebeten eend hing voor de rest van de weg bungelend uit haar bek. Haar snoet vol bloed.

Het dorpje, ongeveer vijftien huizen groot, leek uitgestorven en de hond gaf niet te kennen ergens thuis te horen. Ik wilde net bij een willekeurig huis aankloppen, toen de hond geroepen werd. In de verte stond een vrouw. Om haar heen speelden zes of zeven jonge hondjes. Daar liep de retriever op af. Ik zwaaide en heb haar niet meer teruggezien.

We zaten krap in tijd en met voedsel. De bus bracht uitkomst. Met de fietsen in het gangpad van de kleine bus ging het met een gangetje van 60 - 70 over de slechte weg. Voor de fiets was de weg zo slecht nog niet. De bus echter stoekte, stuiterde en steigerde alle kanten op. En wij rammelden mee. Zo voelt dat dus, die kuilen in de weg.

Dankzij de bus wonnen we weer een dag, minstens. Het andere doel in de Westfjorden de Dynjandi-waterval kwam binnen bereik, nog slechts drie bergpassen te gaan. In Patreksfjordur zijn we heerlijk uit wezen eten en zo ver van Reykjavik vandaan viel de prijs ook nog mee. Daarom hebben we in Bildudalur nadat we die dag twee zware passen hadden beklommen ons zelf getrakteerd op Pizza (veel en lekker). Die hadden we zeer zeker verdiend! Het fietsen is hier tien keer zo zwaar als in de rest van IJsland. Tien keer zo mooi is het niet, maar het is wel weer heel anders. Waar anders vind je langs de kant van de weg een lekker warm vrij toegankelijk zwembadje met een heel hete waterbron daarbij? Waar je ook nog zo je tentje bij kunt zetten? In dit gedeelte van IJsland is het ook gebruikelijk dat er vrije kampeerplaatsen zijn. Daar staat een houten hok met goed onderhouden sanitair: w.c.'s (ook vaak voor invaliden) en wasbakken met stromend koud water. Daaromheen lekkere grasveldjes om de tent op te zetten en het kost helemaal niets!

Na een duivelse klim en afdaling bereikten we de Dynjandifoss. De omgeving hier behoort tot de mooiste van IJsland. En waar bevindt zich de kampeerplek? Juist, aan de voet van misschien wel IJslands mooiste waterval. Het is moeilijk vergelijken omdat de grote jongens allemaal zo verschillend zijn. Achter ons tentje hebben we uitzicht op de grote waterval die breed uitwaaierend over een rotswand valt, met daaronder een hele reeks van kleintjes. Voor ons kijken we uit over een fantastische fjord die aan Noorwegen doet denken. En de lucht? Die is alweer dagen strak blauw zoals ik gewend ben. We gingen in korte broek en T-shirt over de bergen.

In vakantiefolders wordt veel beloofd. Zoals je de plaatsen op de begeleidende foto's ziet, zo zie je het in het echt nooit. Hier bij de Dynjandifoss is het precies omgekeerd. In deze verlaten uithoek komt bijna niemand (vier tentjes op de kampeerplek), reclame wordt er nauwelijks voor gemaakt (iedereen moet naar de Gullfoss en Geysir) en het is werkelijk waar onbeschrijfelijk mooi.

De tocht naar de Dynjandifoss was bij mooi weer al geweldig. Op de terugweg via grotendeels dezelfde route hadden we zon en nevel. Dat gaf aan de omgeving met verspreid liggende grote rotsblokken een heel mystiek tintje. Door de Trollenhals - een afdaling door een ontzettend ruige kloof - bereikten we Flokalundur. Onder het genot van honderden vervelende vliegen (Black-flies) zetten we de tent op. De volgende ochtend verlieten we de Westfjorden met de veerboot.

Het plan was om op Flatey, een bewoond eilandje tussen duizenden onbewoonde, te overnachten. Flatey heeft de naam een vogelparadijs te zijn, dus de verwachtingen waren hoog gespannen. Een snelle tocht over het eiland leerde ons dat het inderdaad barstte van de - verschillende soorten - vogels. Het leerde mij ook dat ik zeker een paar dagen nodig zou hebben om ze fatsoenlijk te fotograferen. Die tijd hadden we niet en het eten was eigenlijk ook op (een winkel ontbrak). Diezelfde avond met de volgende veerboot zijn we vertrokken. Ooit ga ik terug. Nu had ik alleen de tijd om een jonge Noordse stern te fotograferen. Voor de vogelaars onder ons: Flatey en de andere eilandjes in de enorm brede fjord zou de broedplaatsen van zee-arend, rosse franjepoot en giervalk herbergen. Wij hadden niet de mazzel deze vogels te zien.

Na een rustdag in Stykkisholmur - eten kopen en natuurlijk zwemmen, en geen vliegen - vervolgden we de lange tocht. De eerste dag 75 km, dat ging lekker. De dag erna: wind tegen. Een wandeletappe (letterlijk) was het gevolg want op de fiets werden we van de weg geblazen. Een vriendelijke IJslander met een leeg busje bood redding. Hij zag Bonny berg op ploeteren en bood ons een lift aan. Dat lieten we ons geen twee keer zeggen. De fietsen gingen achterin en ik mocht gezellig voorin met die man kletsen. Het bleek maar weer eens hoe trots de IJslanders op hun land zijn - wat mij betreft terecht. Hij vertelde honderduit over de omgeving waar we doorheen reden, wees ons op de mooie dingen; bijvoorbeeld op de rhyolietberg Baula (ga ik vast een keer beklimmen) en gaf de namen van de gletsjers die we in de verte zagen.

Toen kwamen we op het punt waar onze wegen logischerwijs zouden scheiden. Wij moesten linksaf naar Husafell, hij rechtdoor naar Reykjavik. Hij vond het echter zo leuk om ons zijn land te laten zien dat hij ons ook wel naar Husafell wilde brengen...... en verder. Hij was toch net klaar met zijn werk, hij reed graag auto en deze rit beschouwde hij als een vakantieritje. De keus voor ons was niet moeilijk. Ondanks de harde wind was de lucht bijna geheel blauw, het uitzicht formidabel. Onvermijdelijk kwamen we langs de lavawaterval die ik Bonny wilde laten zien. We stopten vijf minuutjes en gingen zeven kilometer door naar Husafell waar we naar de camping zouden gaan. 's Avonds zouden we teruggaan naar de lavawaterval om hem goed te bekijken.

De waterval was veel wilder dan toen ik hem voor het eerst zag. Er kwam veel meer smeltwater van de gletsjers. Daardoor was ook de kleur anders. Het blauwe water van eerst was nu grijs-wit van kleur. Dat komt door het meegevoerde zand en gruis in het gletsjerwater. Overigens, ik vind deze waterval in het voorjaar mooier.

Achteraf gezien was het enorm stom om in Husafell afscheid te nemen van onze lift. Als je alles van te voren weet....... Hij ging verder over de Kaldidalur naar Thingvellir en dan naar Reykjavik. Hij moet een geweldige tocht hebben gehad met dit weer. De Eiriksjokull een prachtige ronde gletsjer lag te blaken in de zon. Die had ik bij mijn eerste bezoek aan de lavawaterval niet eens gezien! Ons plan was om de volgende dag de Kaldidalur op de fiets te rijden. Als het toch eens dit weer zou mogen zijn. Vol verwachting sliepen we in. Die nacht sloeg het weer om........, de wind bleef......... en daarna sloeg het noodlot toe.

Onze IJslandse lift vertelde een paar interessante zaken. De kleine boeren stopten hun bedrijf en trokken naar Reykjavik. De overgebleven boerenbedrijven werden steeds groter en gingen steeds grootschaliger werken. Het gebruik van kunstmest (eerder genoemd) hoeft niet direct te betekenen dat de omstandigheden voor de vogels verslechteren, ze kunnen er zelfs beter van worden. Maar steeds grootschaliger werkende landbouwbedrijven beteken minder goed nieuws verwacht ik. Grootschalig betekent meer van hetzelfde - het verdwijnen van variatie binnen een gebied. Dat kan voor een aantal vogelsoorten wel eens heel nadelig uitpakken. (Ik kan hierover moeilijk iets definitiefs zeggen, daarvoor ben ik niet deskundig genoeg.)

Ook vertelde hij over Geysir. De Grote Geysir spuit nu zo'n twee keer pag zestig meter hoog! De activiteiten nemen nog steeds toe. Bronnen die nog nooit wat hadden gedaan zouden nu ook zelfs springen. "Of hij niet bang was dat de hele boel daar de lucht in zou gaan?"
Nee, hij had al zo vaak vulkaanuitbarstingen gezien. Het fotograferen daarvan was een hobby van hem en met zijn grote jeep, die hij ook nog had, reed hij in voorkomend geval tot ver in het actiegebied om vooral niets te missen. (De droom van een IJslander: grote 4 x 4 plus een zomerhuisje.)
's Winters was IJsland volgens hem op zijn mooist. Over de sneeuw kon hij dan met zijn jeep overal makkelijk bijkomen. Dat lijkt onlogisch, is het echter niet. Onder zijn 4 x 4 lagen ontzettend brede banden, enorme luchtkussens. Door bijna alle lucht daaruit te laten lopen, kon hij over sneeuw rijden (als met een soort van sneeuwschoenen). Hij zei, dat hij 's winters zo de gletsjers opreed.

Op de camping ontmoetten we de volgende dag een vermoeid ogende Belg. Ook hij had gisteren de wind moeten trotseren. Hij had zelfs moeten lopen, vertelde hij met verbazing in zijn stem, anders was hij met fiets en al van de weg geblazen. "De wind van voor, alla, dan trapt ge wat harder, maar die wind van opzij! Dan houdt ge de fiets niet meer." Vermoeid maar met die blije blik in de ogen die de meeste fietsers op IJsland hebben, vertelde hij verder. Hij wilde ook de Kaldidalur doen. Hij wilde eindelijk weleens een gletsjer zien. "Hoezo," vraag ik, "je bent toch langs de Vatnajokull gekomen?" (De Belg had in drie weken bijna de hele Ringweg gedaan, hij was bezig met z'n laatste kilometers.) "Ik heb drie dagen langs de Vatnajokull gereden zonder hem te zien," antwoordde hij. "Ik had daar aldoor regen en mist." Dat kan op IJsland dus ook, langs de grootste gletsjer van Europa rijden (nog veel groter dan alle andere gletsjers in heel Europa bij elkaar, inclusief de andere van IJsland) en hem niet zien! Gelukkig had hij de rest van de vakantie goed weer gehad.

Helaas voor hem, het goede weer was afgelopen voor hem en ons. De drie of vier gletsjers die hij bij goed weer op de Kaldidalur gezien zou hebben, verdwenen in de wolken en de regen. Geen gletsjer voor onze Belg.

Wij hadden ondertussen berekend dat we Landmannalaugar nooit op tijd zouden bereiken en door het slechte weer zagen we af van de tocht over de Kaldidalur. Er viel nu toch niets te zien. Restte een ding: de bus naar Reykjavik nemen en vandaar uit met de bus naar Landmannalaugar. Oh, waren we gisteren maar met onze lift doorgereden.

Ik zei al dat het noodlot toesloeg. In de bus naar Landmannalaugar werd ik weer eens ziek. Nog voor vertrek moest ik eruit. We zaten vast in Reykjavik! Wat nu? Landmannalaugar - het mooiste stukje IJsland volgens iedereen - zouden we in ieder geval niet bereiken. Balen....... moeten we nog eens naar IJsland.

Reykjavik viel ook niet mee. Midden in het toeristenseizoen waren de drie grootste musea die we bezoeken wilden gesloten, ongelooflijk. Dan maar naar de film: American Psycho. De films zijn goed te volgen omdat ze hier net als in Nederland ondertitelen. Maar zelfs wij hadden ondertussen deze hoofdstad wel gezien.

Bonny had nog een week te gaan. Het enige zinnige dat we bedenken konden was om opnieuw naar Thingvellir en Geysir te gaan. Thingvellir viel tegen. Ontzettend veel toeristen en door de aardbevingen waren grote stukken rots naar beneden gekomen zodat je een mooi gedeelte van de bekende kloof niet in mocht. Geysir dreigde ook een mislukking te worden. Eerst een tocht in de regen ernaartoe. Een snelle ronde langs alle heet waterbronnen en geisers leerde dat de schaal van de grote Geysir leeg was. Die zou voorlopig niet spuiten. Morgen zou onze dag moeten worden. Van 12.00 tot 16.00 uur hebben we trouw zitten wachten op de grote jongen. Op wat voorspel na, liet hij verstek gaan, ondanks de bijna volle schaal. Koud geworden, besloten we naar het zwembad te gaan. Na het zwemmen even langs de grote Geysir. Schaal helemaal leeg!!!! Het is niet moeilijk te raden wat we gemist hadden. Om nog wat zout in de wond te smeren vertelde de volgende dag een Nederlander dat hij gisteren om 16.00 uur was aangekomen, de grote Geysir in volle actie had gezien en om 17.00 uur heerlijk in zijn tent was gaan liggen.........

Dit keer waren we echter vastbesloten. Dit gebied met z'n geisers had me voorgaande keren nooit teleurgesteld. Dat zou dit keer toch ook niet gebeuren? Er zijn hier zeven geisers die ooit gesprongen hebben. Voor de recente aardbevingen deed alleen de Strokkur het nog.

10.30 uur waren we present. De zon liet zich eindelijk weer eens in volle glorie zien. Ik fotografeerde nog maar eens de Strokkur, het kleine broertje van de grote Geysir, die het altijd doet. De klok tikte. Op enkele oprispingen na hield de ‘grote' zich stil, zijn schaal voller met water dan ooit. Om klokslag 14.00 uur begon het feest. En wat voor een!!!!! Totaal onverwacht begon de FATA - een derde geiser - die nooit meer spoot af te gaan. Tien minuten lang spoot deze voortdurend een straal kokend water en stoom de lucht in. Geweldig. Echter...... de Strokkur knalde ook gewoon door. Twee geisers in volle glorie en wij zaten er midden in! Was dat genoeg? Nee, de grote geiser begon ook te boeren. En kreeg z'n grootste oprisping tot dan toe. Drie geisers tegelijk in actie. Dat hebben niet veel mensen ooit gezien. Je wist niet waar je kijken moest. Had ik maar een Fish-eye lens gehad.

Het spektakel was groot. Wat betreft de grote Geysir, hij gaf niet de klap waar we op zaten te wachten, maar de schaal was nog steeds vol. De klok tikte, wij lagen in de zon en lachten om die ‘domme toeristen'. Eentje spande de kroon door zijn hele hand in het kokende water te steken. Van schrik viel hij achterover op zijn kont. Verrek, dat water is echt heet! Daarna liep hij - alle bordjes en het touw negerend - naar de schaal van de grote Geysir. Hij liep over het randje en boog maar eens voorover om het nog beter te zien. Als de geiser toen was geëxploreerd......... Hij zou er van schrik in zijn getuimeld en dat had hij niet overleefd. Sommige mensen beseffen blijkbaar totaal niet waar ze zijn en wat ze te zien krijgen. Aan enthousiasme ontbrak het hem in ieder geval niet. Ik heb hem zelfs op de foto moeten zetten.

De klok wees 18.00. Het wachten werd een kwelling. Zeveneneenhalf uur wachten..... We werden beloond. We hoorden en voelden de ontploffingen onder onze voeten..... Het ging gebeuren. Even over zes begon de Grote Geysir in golven te spuiten, steeds heftiger. Feest. Het duurde vijf minuten, toen was de schaal leeg. Was het het wachten waard? Zeker weten.

Diezelfde avond reden we dertig kilometer richting Reykjavik. Zagen we ook nog een poolvos. Je hebt van die dagen.

De tijd voor Bonny zat er bijna op. Op weg naar Reykjavik zag ik warempel twee keer een smelleken, Europa's kleinste valk. In de ruim elf weken die ik hier nu ben zag ik er geen. Nu twee op een dag. De geothermische krachtcentrale die een groot deel van Reykjavik verwarmd en van stroom voorziet, hebben we ook nog bezocht. We glipten door een deur naar binnen waar in de ruimte daarachter net een rondleiding begon. We zijn toen maar meegelopen...

Vervolgens wachtte Bonny totaal onverwacht haar laatste beproeving: de vulkaan Hengill, stijgingspercentage 16%; maar wat een panorama's! De afdaling was snel, mijn topsnelheid 70 km/uur

Hiermee was de vakantie van Bonny over. Het weer was vanaf half juli tot nu (14 augustus) niet meer zo supergeweldig. Veel dagen met regen en 's nachts begon het zelfs donker te worden. Het is herfst op IJsland.

Deel 6.
De opmerking dat hier de herfst was begonnen, was voor wat het weer betreft behoorlijk voorbarig. Hoe verder ik van Reykjavik/Keflavik wegreed, hoe mooier het weer werd. In het nationale park Skaftafell waar ik drie nachten bleef, braken zelfs Myvatn taferelen uit. Wat een zon! En wat was ik blij dat mijn tent in de schaduw van een paar heuse bomen stond.

De herfst laat zich wel op een andere manier zien. In Höfn - zuidoost IJsland - waar ik dit stuk op 23 augustus schrijf, werd het gisteren na een regenachtige bewolkte avond al om 21.00 uur donker. Vreselijk! Ik wou maar dat ik met de Noordse sterns mee kon trekken. Nog even en ze gaan naar de Zuidpool. Hebben ze weer vierentwintig uur zonlicht. De mazzelaars.

Op de velden is het stil geworden. Bontbekplevieren, goudplevieren, regenwulpen, grutto's en vooral de ergste druktemakers: de tureluurs hebben hun jongen groot en hebben hun alarmroepen en afleidingsmanoeuvres gestaakt. Dan pas valt op hoe leeg het land is. De vogels verzamelen zich bij ondiepe lagunes aan de kust, zoals hier in Höfn op de camping voor me (bontbekplevieren, goudplevieren, bonte strandlopers en een paar tureluurs) of trekken rond in groepjes (witte kwikstaarten en graspiepers). Even nog, dan vertrekken ook zij naar het zuiden.

Laat ik bij het begin beginnen. Na het vertrek van Bonny vanaf Keflavik airport had ik drieënhalve week om naar Seydisfjordur (in het oosten van IJsland) te fietsen waar de veerboot naar Denemarken zou vertrekken. Die ongeveer 800 kilometer mochten geen probleem zijn. Er zijn er genoeg die proberen het hele eiland in drie weken rond te fietsen. Dat het zo gemakkelijk zou gaan had ik niet verwacht. De eerste dag legde ik 95 km af. Eenmaal ter hoogte van Reykjavik nam ik een binnenweg (de 417). Ik reed door een heel mooi lavaveld waar ik zeker terugkom om foto's te maken. Op deze weg passeerden mij slechts drie auto's. Heerlijk rustig was het. Kennelijk rijdt iedereen liever over de drukke snelweg naar Hveragerdi. Dit IJslandse Huissen was ook mijn doel voor de nacht. Het was er nog precies zo als ik het had achtergelaten en zelfs de mevrouw uit de supermarkt kende me nog. Ik begin me al aardig thuis te voelen in dit landje.

Elf kilometer verder ligt Selfoss - op t.v. geweest vanwege de aardbevingen - daar achter begon voor mij het onbekende: het zuiden en het zuidoosten. Deze dag bracht me drie dingen: een perfect vlakke weg, het lelijkste stuk IJsland dat ik gezien heb (van Hveragerdi 100 km lang tot aan de Seljalandsfoss) en waar het mooie weer begon: de Seljalandsfoss. Een foss is een waterval maar dat had u al begrepen. Deze waterval valt voor mij net niet in de top-categorie. Toch heeft hij wel iets. Waarschijnlijk heeft dat te maken met de omliggende rotswand, daar heb ik tot het tijd werd om te gaan slapen met open mond langsgefietst. Ik fietste deze dag 105 km!

Bij de Seljalandsfoss ontmoette ik een echt wereldvreemd persoon. Zoveel ik uit het gemompelde Engels kon verstaan, begreep ik dat hij zijn fietsvakantie grotendeels in het binnenland had doorgebracht. Te beginnen met de Kjölur - een eitje - daarna een stuk langs het noorden, op de fiets naar de Askja, via daar naar Landmannalaugar en nu was hij op weg naar Thórsmork. Ik weet nu ook waarom mij zo'n route niet trekt. Ik ben er niet de juiste persoon voor. Daarvoor moet je wel een heel erge zonderling zijn en na afloop zie je eruit als een beest. Ongeschoren en smerig.
"Lag er veel zand onderweg?" vroeg ik.
"Ja," antwoordde de malloot, "ik heb zevenentwintig kilometer moeten duwen, van 's morgens tien tot 's avond negen. En dan ook nog zandstorm, achterwiel aan barrels, drie spaken eruit, etc."
Nou ja, als ik wil wandelen, laat ik de fiets thuis. Als je je geroepen voelt om deze prestatie te herhalen; je kent nu de route.

De Skogafoss wachtte. Deze valt wel weer in de top-categorie. Wat niet veel toeristen weten is dat boven de grote waterval nog een kleinere ligt. Die is ook ontzettend mooi en de klim zeker waard. De dag vloog voorbij met fotograferen.

Bij de Skogafoss begint de wandelroute die via Thórsmork naar Landmannalaugar voert. Volgens wandelaars is deze tocht van ongeveer zes dagen de mooiste van IJsland. De Pool die ik eerder tijdens mijn reis sprak, dacht zelfs dat het de mooiste tocht van de wereld was. "Misschien dat het Inca-pad in Peru mooier is," zei hij. Die had hij echter nog niet gelopen. Deze wandeling vormde echter zijn absolute hoogtepunt.

Voor deze man had ik dan wel weer bewondering. Een grote rugzak was alles dat hij bij zich had. Hij was van plan geweest om vier weken door te brengen in niemandsland. Toen hij in deze omgeving wandelde waren de binnenlandwegen nog gesloten. In zijn rugzak had hij voor al die tijd eten, dacht ie. Dat moest hij wel even sjouwen! Hij redde het drie weken met zijn voedsel. Hij kende acht dagen dat hij geen sterveling zag. Twee dagen had hij opgesloten gezeten in een reddingshut vanwege een storm. Daar draaide hij in alle eenzaamheid en de gierende wind bijna door. Maar die wandelroute was absoluut het einde. Ik vind dit een grote prestatie. En wat meer, hij zag er nog netjes verzorgd uit ook. Het was in ieder geval iemand die wist waar hij mee bezig was.

Voorbij de Seljalandsfoss kom je de eerste gletsjertongen tegen. En langzaam maar zeker geraak je in het gletsjerlandschap. Zo dadelijk zal ik een beschrijving geven van dit landschap waar ik tot en met Höfn doorheen zou fietsen. Maar eerst nog even Dyrhólaey. Net voor Vik vind je dit strand. Al hoewel het verboden is, werd dit mijn slaapplaats (na de dag bij de Skogafoss te hebben doorgebracht). Die dag legde ik trouwens over vlakke weg 45 km af.

Dyrhólaey kostte me heel wat fotorolletjes. Het is weer feest! Niet vanwege dat grote gat dat in het klif zit en waar een boot doorheen kan varen. Wel vanwege de absurde rotspartijen en unieke kleuren. Wil je eens op een pikzwart zandstrand wandelen? Daar is de plaats. Het zwarte zand, de witte schuimkoppen op de golven die erop kapot rolden, de zeehonden, de eerste grote jagers (he, he) en ook nog papegaaiduikers. Het wonderlijkste vond ik de ‘boog van prikkeldraad'. Het is bar moeilijk te omschrijven hoe die eruit zag. Een boog - van rots naar rots - van in elkaar gedraaide kolommen basalt. Waar de niet even lange kolommen als punten van prikkeldraad uit staken. Bent u daar nog?

Ik was zo druk bezig geweest met al dit moois te fotograferen dat ik niet meer de concentratie kon opbrengen om een ander fenomeen op de gevoelige plaat vast te leggen. Dat moet de volgende reis maar. Het gaat hier om rotsen/gesteente die door de wind zijn gevormd. Winderosie heeft de wonderlijkste vloeiende lijnen in het zachte gesteente geslepen. Een boeiend spel.

Vanaf Dyrhólaey heb je een goed uitzicht op de Mýrdalsjökull. Een jökull is een gletsjer of gletsjertong, dat begreep u ook al. En die Belg maar roepen dat ie geen gletsjer gezien had! Het echte werk moest voor mij zelfs nog komen.

Deze dag fietste ik iets van 75 km. Voor het eerst weer - vlak voor Vik - een heuveltje en een heuvel. In de afdaling 74 km/uur. Daarna de weg plat als een pannenkoek over een geweldige openvlakte. Wat als je hier wind tegen had?! Begint hij weer over de wind zult u zeggen. Ja, wat ik hier meemaak, dat zou ik niet geloven als ik het zelf niet had ondervonden.

Wanneer je wind mee hebt, denk je dat het windstil is. Raar, maar zo voelt het nou eenmaal. De kilometerteller vertelt echter een ander verhaal. Op stukken rijd ik 35 km/uur. Vijfendertig kilometer voor: het kerkje met het klooster - vertaling van de IJslandse plaatsnaam die niet is uit te spreken - neem ik pauze. Nog een uurtje en ik zou er zijn. Het ging lekker zo. Driekwart brood met worst en een pak melk verder stap ik op de fiets. Wind tegen, en niet te zuinig ook. En dit, terwijl de weg in dezelfde richting verder gaat! En ik rijd ook niet terug! Zo gek ben ik toch ook niet. Wat was hier aan de hand? Wat een makkie leek, werd alsnog een beproeving. Drie uur later kon ik dan eindelijk mijn tentje opzetten in een pseudokrater. Fantastisch, dat dat zomaar kan. Het eerste vlakke stuk na Vik voerde door de Mýrdalssandur, een sandr of spoelzandvlakte. Het laatste stuk van de route voerde door een heel mooi bemost lavaveld.

Bij het kerkje met het klooster ligt de Kirkjugólf. Het is een vloertje van basaltkolommen dat door een gletsjer is glad gepolijst. Het lijkt op een kerkvloer maar stelt niet echt veel voor. Het was leuker geweest als ze er echt een kerk omheen hadden gebouwd. Waarom ze dat niet gedaan hebben is me een raadsel. Overal staan kerkjes, behalve hier.

En nu wordt het tijd om eens een beschrijving te geven van het gletsjerlandschap dat zich voor mij uitstrekte van iets voorbij de Skogafoss tot en met Höfn. In dit gedeelte liggen drie gletsjers: de verhoudingsgewijs kleine Eyafjallajökull, de grotere Mýrdalsjökull en de immense Vatnajökull. Gletsjers zijn enorme stromen van ijs. Ze bewegen - stromen - net als een rivier. Langzaam maar zeker. Denk hierbij aan een tot vijf meter per dag. Een gletsjer groeit wanneer er 's winters meer sneeuw opvalt dan er 's zomers afsmelt. Tegenwoordig gebeurt het omgekeerde. De gletsjers worden kleiner; een teken dat het klimaat warmer wordt. Bewijs hiervoor is goed te zien bij Skaftafell. Waar eerst twee gletsjertongen een berg omsloten, tot 1940, liggen nu twee aparte tongen. Een andere plaats is het ijsbergenmeer Jökulsárlón. Dit meer wordt steeds groter doordat de gletsjertong zich terugtrekt.

Wat is nu een gletsjertong? Waar de ‘grote' gletsjer tussen twee bergen doorstroomt en zodoende een tong vormt, is sprake van een gletsjertong. Een beetje verwarrend is het wel dat ze die ook allemaal Jökull noemen.

Dan sta je aan de voet van een gletsjertong en wat zie je dan? Een stuk mooi wit ijs, blauw misschien als het heel oud is en waaronder een mooi, helder en lieflijk beekje ontspringt? Nee dus. Het eind van de gletsjertong is pikzwart van de modder en het gruis dat hij meevoert. Het smeltwater dat voorbij stroomt is een ziedende kolkende bruin/grijs/zwarte watermassa. Wat de gletsjertong ook meevoert: enorme keien. Rotsblokken gewoon. Denk maar eens aan de stenen waar ze in Nederland hunebedden van hebben gebouwd. Precies, die zijn lang geleden aangevoerd door een mega-gletsjer. Helemaal vanuit Finland en Zweden over duizenden kilometers. Klinkt ongelooflijk, maar hier in IJsland zie ik het met eigen ogen gebeuren.

Dan komen we bij de spoelzandvlakte of sandr. De woeste, vlechtende riviertjes die onder de gletsjer vandaan komen zitten vol spul: rotsblokken, keien, grind, zand en klei. Dat wordt voor de gletsjer neergegooid. Eerst de grote stukken en waar het bijna niet meer stroomt de kleideeltjes. Je kunt je voorstellen dat voor de gletsjer - richting zee - een enorme vlakte ontstaat - met een mooie vlakke weg erdoorheen. In dit geval een soms pikzwarte vlakte omdat de kleur van de rotsen nu eenmaal zwart is. Je kunt je ook voorstellen dat hoe groter de gletsjertong, hoe groter de vlakte ervoor is. In dit landschap fiets ik nu: bergen, gletsjertongen, af en toe een lavaveld en enorme spoelzandvlaktes. Een grote: de Mýrdalssandur had ik van Vik naar het kerkje met het klooster overgestoken. Vandaag stond de allergrootste op het programma: de Skeidararsandur. Pas in 1974 werd hier de Ringweg gesloten (met financiële hulp van de Amerikanen). Als je erdoorheen fietst besef je pas wat een prestatie het is geweest.

De wind had ik nog steeds keihard tegen. Uitgeput streek ik neer bij het oude turfkerkje in Nupsstadur. Hier moest ik beslissen: doorgaan naar Skaftafell of hier de tent proberen op te zetten. Voor me lag de Skeidararsandur. De dertig kilometer lange spoelzandvlakte. Zo open als maar zijn kon. Een tent opzetten is daar onmogelijk. Denk maar aan een open grindbak van dertig- bij wat zal het zijn? twintig kilometer, vol woeste bruine riviertjes en drijfzand en je krijgt een beetje een idee. Het was dus dertig kilometer doorgaan met deze wind, of blijven. Het gevaar van een zandstorm was nu ook niet denkbeeldig.

Ik ging. Moeizaam. Gelukkig geen zandstorm. Wat een vlakte. Het eind van de weg was niet te zien. Wel de massale gletsjertongen die voor deze woestenij verantwoordelijk waren. Daar ergens in de verte lag Skaftafell. De trappers draaiden de benen maalden. Zwart links, rechts, voor en achter. Vreemd dat er zoveel kleuren zwart zijn. Op de stukken waar de sandr begroeid raakte met algen en mos: groen. In de laagstaande zon leek het licht te geven. Een fluorescerende groene waas in deze zwarte woestijn. Mooi.

Het wonder geschiedde. Na een plaspauze. Hee, windstil! Hoe kan dat nou? Honderd meter verder. Wind mee. Hetzelfde verhaal als gisteren alleen nu ten goede. Ik heb Skaftafell gehaald met minder inspanning dan verwacht. En dat was maar goed ook.

Het verhaal van deze sandr is nog niet klaar. Onder dit gedeelte van de Vatnajökull ligt de Grimsvötn: een actieve vulkaan. Je kunt je voorstellen wat er gebeurt als een vulkaan onder een gletsjer uitbarst. Daar is geen houden aan. De watermassa die dan vrijkomt! Onvoorstelbaar. Precies dat gebeurde hier een aantal jaren geleden. De beelden waren op het nieuws. Hele stukken Ringweg met bruggen en al werden weggeslagen. IJsbergen zo groot als een huis dreven op de plaats waar ik nu fiets. Geweldig.

Skaftafell, het vakantieparadijs voor de IJslander en menig ander toerist. Mooi is het zeker en je kunt er heerlijk wandelen. Vergeleken met een zonnige zondagmiddag op de Posbank is het rustig, voor IJslandse begrippen: heel druk.

De grote trekker is natuurlijk de Svartifoss. Absoluut een waterval uit de top-categorie. Veel water gaf ie niet, maar het decor waarin ie viel. Een fraai staaltje van natuurlijke architectuur. Topklasse. Wat een gave zwarte basaltkolommen. Denk aan orgelpijpen en je snapt wat ik bedoel. Een andere knaller was het uitzicht van boven op de - hoe kan het ook anders - Skaftafellsjökull. Onvergetelijk. En de directe omgeving voor de gletsjer: de zij- en eindmorenes. Zo zit dat dus. De tekeningen uit mijn oude leerboeken worden werkelijkheid.

Morenes, weer een nieuw begrip. Zal ik straks nog uitleggen. Voor de gletsjer: ijs, grond, keien, blubber en water. Moeilijk te zeggen waar het een begon en het andere ophield. Wel mooi om deze grauwe massa te fotograferen. Ik klauterde de gletsjer zelf op. Spleten, scheuren, hoopjes zwarte modder. Het ijs: enorm, gigantisch, wat een wal van bevroren water. Wat was ik nietig.

Skaftafell, ik verbleef er drie nachten. Grasklokjes groeiden op de weiden en tussen de berken. Hier en daar kon je zelfs spreken van een echte boom. Ook zag ik mijn tweede barmsijs. Ik moest verder. Naar het volgende hoogtepunt: het IJsbergenmeer.

Grote jagers zag ik inmiddels genoeg. Hier lagen hun grootste broedkolonies. Zouden ze nog jongen hebben? Daar zat een grote jager. Zal ik eens proberen hem te fotograferen? Ik kroop nader. Plotseling een aanval. Recht van voren op me af. Zijn doel: mijn hoofd. Van zo dichtbij is een grote jager echt groot. Het halfvolwassen jong, dat kon vliegen, kreeg ik niet op de foto. Wel een van zijn ouders die na de aanval een eindje verderop was gaan zitten. De grote jagers hebben hun jongen dus groot. De wilde zwanen die ik verderop tegenkwam nog niet. Ik vraag me zelfs af of die kleintjes wel op tijd kunnen vliegen voor de winter invalt.

Ik kreeg door wat die heuvels naast me langs de weg moesten zijn. De morenes van de gletsjer een stukje terug de bergen in. Een morene zo moet je je voorstellen wordt door een gletsjer gemaakt. De door het ijs meegevoerde rotsen en keien worden voor en naast de gletsjertong neergelegd waardoor heuvels ontstaan (het materiaal komt dus ergens anders vandaan). Ligt de heuvel voor de gletsjertong dan noemen ze dat een eindmorene, ligt hij ernaast dan is het een zij-morene.

Morenes doen denken aan de stuwwallen zoals we die in Nederland ook kennen, de Veluwe, de Elterberg, de Utrechtse Heuvelrug en de Grebbeberg zijn daarvan voorbeelden. Er is echter een belangrijk verschil. Stuwwallen zijn opgebouwd uit los materiaal dat er al lag, voordat de groeiende gletsjer het (in bevroren toestand) als een bulldozer opstuwde. De stuwwallen in Nederland zijn veel groter dan de morenes waar ik op IJsland langs fietste.

Ik wilde dolgraag eens kijken hoe het landschap achter deze grote morenes (een morenewal) was. Bij Skaftafell stelde de omvang van de morene niet veel voor. De morenewal waar ik op dat moment langsfietste lag te ver van de weg, maar daar, in de verte lag ze pal naast de Ringweg. Dat was een stuk makkelijker.

Eerst moet ik dit vertellen. Mijn plan was om de nacht door te brengen bij het Breidarlon. Een meer waar soms ijsbergen in dreven. Het moest net zoiets zijn als het Jökulsárlón zo'n vijf kilometer verderop, alleen bij het Breidarlon komen nauwelijks toeristen en dat leek me wel wat...

Ik was inmiddels aangekomen bij de morenes aan de Ringweg. Een smal pad liep tussen de ‘heuvels' door. Voor me ging het doek open. Wat een uitzicht. Dit kon niet waar zijn. Het licht - zacht van de ondergaande zon - het schouwspel. Figuren van ijs dreven in het spiegelgladde water. De achtergrond: de hoogste berg van IJsland, gletsjertongen en een bijna wolkenloze blauwe lucht. IJsland verraste me voor de zoveelste keer.

Volgens mijn kaartlezen was dit nog niet eens het Breidarlon, laat staan het Jökulsárlón. Op deze plek zou ik in ieder geval gaan slapen. Echter niet eerder dan na een fotosessie. Die hondenkop zeker weten dat die een plaatsje in een boek zal krijgen. En morgen naar het Jökulsárlón............. Maar eerst een gedenkwaardige nacht. De koelte van de gletsjers drong door tot in de tent. Terwijl de zon verdween, nam de stilte toe. Af en toe brak de stilte door gans-achtige kreten die tussen de ijsbergen weerkaatsten. Het geluid van de roodkeelduikers die zich op het meer ophielden, bezorgde me kippenvel. Zo prachtig, zo weemoedig, zo klaaglijk. Onvergetelijk

Het bleek een misvatting van mij. De volgende dag na 500 meter fietsen: een pleintje met bussen en een cafetaria. Het zal toch niet? Jawel, ik had de nacht - alleen - doorgebracht aan het Jökulsárlón. Scheelde in ieder geval weer een hoop fotowerk. Ik kon rustig doorfietsen naar Höfn. Onderweg passeerde ik nog vele Jökulls en spoelzandvlaktes.

Even over het ijsbergenmeer. Als een gletsjer zich terugtrekt zoals hier (warmere klimaat) blijven de morenes vanzelfsprekend liggen. Daar achter kan zich dan een meer vormen. Zoals hier. Iets dergelijks moet ook dichtbij huis hebben plaatsgevonden. Toen de gletsjers de stuwwallen hadden opgeworpen bij Arnhem, Elten, Groesbeek en Nijmegen, en zich hadden teruggetrokken, ontstond daarachter ook een immens meer. Destijds bestond een aaneengesloten wal van de Elterberg naar Nijmegen. Dus waar nu de Rijn en de Waal stromen. Waar is die wal gebleven? Men vermoedt dat achter de stuwwal Elten-Groesbeek-Nijmegen een meer ontstond dat op een gegeven moment zo vol water kwam te staan dat de stuwwal brak. Hierdoor ontstond de Geldersche Poort. Dat is me wat: een Jökulsárlón zo dichtbij Elden.

Het begint te regenen en ik ben moe. Het plan om bij een gletsjertong te gaan kamperen laat ik varen. Ik wil douchen en zitten in een hot-tub. Ik fiets meteen door naar Höfn. Man, wat voel ik me smerig. Het haar plakt als een Pritt-stift.

Op de meeste campings zijn geen douches. Zijn ze er wel dan moet je er meestal voor betalen. Voor honderd kronen krijg je dan een paar minuten warm water. Dan kun je beter 200 kronen entree betalen bij een zwembad. Dat betekent onbeperkt douchen, een zwembad en hete bubbelbaden. Dat maakt dat je als fietser bent aangewezen op de zwembaden. Die zijn er eigenlijk in ieder dorpje en ze zijn heerlijk. Gevoed door water uit hete bronnen zijn ze altijd lekker warm (26 - 30 graden). De hot-tubs zijn helemaal lekker: 37 - 41 graden. Ze zijn hier terecht heel erg gesteld op hygiëne. Dat moet ook want bacteriën voelen zich ook bijzonder happy bij deze temperaturen. In ieder zwembad is gratis shampoo ruim voorradig en het protocol is als volgt: schoenen trek je al bij het binnengaan van het zwembad uit en zet je op een rek naast de deur, in de kleedkamer kleed je je uit, zwemkleding en handdoek neem je mee, de handdoek stop je in een speciaal rek, je doucht eerst helemaal naakt, dan de zwemkleding aan en vervolgens lekker zwemmen. Op de terugweg droog je je af op de plaats bij het handdoekenrek zodat je droog de kleedkamer in komt. Blijkbaar werkt dit systeem want de zwembaden zijn altijd schoon en netjes.

Het kan al wel vijftien jaar geleden zijn dat ik in Nederland naar een zwembad ben geweest. Hier zou ik iedere dag willen. Het begrip ‘er-door-heen-moeten' kennen ze niet. En je krijgt ook niet na vijf minuten kippenvel en je wordt ook niet blauw van de kou na verloop van tijd.

Hier, bij Höfn, heb ik het eigenlijk wel een beetje gehad. Altijd zo smerig. Continu bezweet van het fietsen. T-shirts en broeken stinkend van het zweet. De slaapzak plakt gewoon. Weleens een slaapzak geroken na twaalf weken te zijn gebruikt? Niet fris. Het eten begint me ook tegen te staan. En altijd maar de vraag: heb ik wel genoeg bij me? En waarom hebben ze eigenlijk die lekkere fruit-cruesli nergens meer? En er komt geen einde aan het - frustrerende - gevoel dat ik nog zoveel moet zien, zoveel moet fotograferen. Een stom gevoel want ik moet helemaal niks.

En ook al komt het zonnetje weer door, mijn humeur wordt niet echt beter. Het verbaasd me ook niet meer. Op IJsland is het weer gewoon veel beter dan in Nederland.

Twee weken heb ik over om zoek te maken. De grote attracties heb ik achter me. Of zou het land me opnieuw verbazen? Zo zijn daar nog de Hengifoss, Oxi-pas en het grootste bos van IJsland. Wat zal ik daar nog te zien krijgen? Ik hoop nog op een paar rendieren. Maar ik ben al verzadigd. Het loopt al over in mijn hoofd. Zoveel moois, in zo'n korte tijd. Ik moet nu tijd hebben om het rustig te kunnen verwerken.

En vervolgens de terugreis nog: Denemarken, Duitsland en Nederland. Eerst leek het me geweldig. Nu ben ik bang dat het als mosterd na de maaltijd komt. Volgens het fietsboekje over Denemarken dat ik heb, bestaat het interessante gedeelte van het land voornamelijk uit kerken. Kerken heb ik op IJsland genoeg gezien. Op iedere twee huizen bouwen ze een kerk waaronder heel buitenissige. Duitsland was een land waar je als militair op oefening ging en heb ik - net als Frankrijk - altijd een land gevonden waar je doorheen moest als je op vakantie ging. Daar verwacht ik op dit moment ook niet veel goeds van. Nederland kan wel leuk worden. Daar ben ik van plan het Fietserpad te volgen. Dat wordt een soort herhalingsoefening van: een Rondje Nederland, dat ik in mijn opleiding als geograaf heb gehad. Het begeleidende boekje is in ieder geval leuk geschreven.

Slechts een keer eerder heb ik gebaald in IJsland. Dat was toen we Landmannalaugar door de vingers zagen glippen. Toen had ik even flink de pe in. Nu zit er niets anders op dan even gedwongen twee weken genieten. De boot gaat op 7 september en dan zal ik zorgen dat ik op 18 september terug ben. Op tijd en als een verrassing voor de verjaardag van mijn pa.

Net voor Höfn was het heuvelachtiger geworden. De bergpas net daarna (wat een uitzicht - daar heb ik de afgelopen paar dagen gefietst) was er een van 16%, zonder asfalt en behoorlijk lang. Het betekende het definitieve einde van de vlakke weg en het Gletsjerlandschap.

Voor de bewuste pas ben ik nog naar de kust gefietst waar een grote NAVO-radarbasis staat. Daarachter zou ik een zeehondenkolonie kunnen aantreffen. Het bord ontmoedigde al meteen: ‘Verboden voor onbevoegden, gevaar, straling, etc.' De zeehonden konden me gestolen worden. Gelukkig maar....... Had IJsland meer voor me in petto? Ja, natuurlijk.

Een miauwerd in de lucht. Een kleine jager dus. Daaromheen erg veel krijsende en opgewonden Noordse Stormvogels. Niet normaal. Dat kon maar een ding betekenen: een roofvogel! Ja, en wat voor een. De vier IJslandse Wachters weten echt van geen ophouden. Een giervalk!!!!! Lastig gevallen door de kleine jager, omcirkeld door Noordse Stormvogels maar stoïcijns doorvliegend. Even keek ik hem na voordat hij achter een berg verdween. Die pas van 16% zou nu ook wel lukken.

Het landschap veranderde opnieuw. Ik trad binnen in het land van de verkruimelde bergen. Wonderschoon en heel apart. Deze bergen hadden zich begraven in hun eigen fijne puin. Alleen een paar grillig gevormde rotspunten staken erdoorheen. Vanzelfsprekend ook dit in alle kleuren. De ene berg zwart, de andere waarmee hij was verkleefd als een Siamese tweeling, rood. Alles kan gewoon.

In het korstmossendal ging ik slapen. De volgende ochtend liet ik de camera thuis en ging ongehinderd op verkenning in de nauwe kloof. De kleurenpracht aan korstmossen was overweldigend. Ook hier keer ik terug, dan met fototoestel. Terug bij de tent was het tijd voor een middagdutje. De vermoeidheid die me al dagen plaagde, wilde maar niet wijken. Er kwam niets van......... De ene windstoot na de andere klapte op het tentdoek. Inpakken maar.......

Eenmaal op weg viel de wind mee. De teller bewees mijn ongelijk. Ik trok steeds verder de onbewoonde wereld in. Steeds vaker maakte - op de Ringweg! - asfalt plaats voor gravel. Plots, voor me in duikvlucht. Weer een giervalk? Door mijn verrekijker zag ik hem zitten. Ver weg, heel klein. Nee, kan best een smelleken zijn geweest.

Geen vijf kilometer verder. Een groot meer, grenzend aan zee. Witte stipjes, wilde zwanen. Ik telde er 400 en schatte de rest. Voor me dobberden of zaten langs de oever 1.000 wilde zwanen. Nee, er kwam geen eind aan.

Aan mijn dagtocht wel. De wind begon beangstigend te worden. Op deze bergweg met aan de zeekant een diepe afgrond zonder vangrail voelde ik me een speelbal. Toen ik even mijn veters strikte werd ik van achteren gezandstraald en niet met al te fijn zand...... De wind blies naast me het water uit de zee. Een machtig gezicht, maar hoe kon ik ooit de tent opzetten? Weer had ik geluk. Vijfhonderd meter verder stond een noodhut. Vanzelfsprekend heb ik daarin de nacht doorgebracht. Blij toe, want die nacht bulderde en daverde de wind. Goed, dat de hut was vastgezet met zware kettingen.

Ik was op weg naar Djupivogur. De verkruimelde bergen gingen over in de ruige bergen. Ook leuk. Vooral omdat goed te zien was dat de aardlagen hier schuin lopen. Hoog aan de zeezijde, laag naar het binnenland. Het schijnt dat de geleerden het er nog niet over eens zijn hoe dat komt. Een ruige berg is heel bijzonder. Deze ligt bij Djupivogur. Zijn vorm: een piramide. Het schijnt dat deze berg magische krachten bezit, net als de Snaefell (van Jules Verne) aan de andere kant van het land.

De Oostfjorden waar ik me inmiddels bevond behoren tot het oudste gedeelte van IJsland. Op deze plaatsen kun je mooie stenen vinden. Kristallen en zo........ Zelfs ik kon de verleiding niet weerstaan en vond zonder moeite een aantal mooie. Of het nog niet zwaar genoeg was: Gaat ie ook nog stenen mee sjouwen!

De ruige bergen zou ik in stijl gaan verlaten via de Oxi-pas. Een 21 km lange bergpas alleen geschikt voor hoogassige jeeps. En voor mijn mountain-bike. Even voor het idee: op de pas wachten veel riviertjes, een ruig wegdek en hellingen tot 20%. Ik zou er alleen overheen gaan als het mooi weer zou zijn. Aan mijn wens werd voldaan, de volgende ochtend al. De laatste - vrijwillige - beproeving kon beginnen (ik had ook om kunnen rijden). Ik pakte de tent in en zag vier collega fietsers (Italianen) vertrekken. Zouden zij ook.....? Op weg liet een aalscholver zich nog door mij vereeuwigen. Daarna verliet ik de Ringweg.

Kort samengevat: De weg was de slechtste die ik ben tegengekomen. Grote losliggende keien - soms rond soms puntig waarover net te fietsen viel. De hellingen het steilst. Ik moest van de fiets af om te duwen, hetgeen loodzwaar was. Het uitzicht was niet grandioos. De riviertjes vielen mee. In dit gedeelte van het jaar tenminste. Ik fietste er zo doorheen. Voor me zwoegden de Italianen. Bij de grootste rivier haalde ik ze - met al mijn zooi - nota bene in. De tweede van hen stak net de rivier door. De twee aan mijn kant stonden aarzelend te kijken. Hoe moesten ze nu toch droog en veilig aan de overkant komen? Over deze dekselse rivier, wat een kanjer, wat een barrière.

Deze (gew)Eldenaar kwam, zag en overwon. Ik zette de fiets in zijn kleinste versnelling, keek eens goed in het water zonder van de fiets te komen. ...... en fietste er op mijn dooie gemak zo doorheen. Geen kunst aan. De Italianen stonden verbouwereerd te kijken. Een moment voor mij om van te genieten.

Het bedwingen van de Oxi-pas vanuit het zuiden vormt een zekere sportieve prestatie. Voor de omgeving hoef je het echter niet te doen. Groot was trouwens mijn verbazing toen de Ringweg waar ik op was teruggekeerd op sommige plekken een wegdek had dat sterk aan de Oxi-pas deed denken. "Word het niet eens tijd voor een beetje asfalt hier, jongens?"

Ik bevond me nu op zeventig kilometer van de boot en had nog elf nachten over. Morgen zou ik naar Egilsstadir gaan om inkopen te doen en dan restte nog een rondje langs de Lagarfljót (90 km) met de Hengifoss en het grootste bos. En dan naar huis! Ik plukte nog wat bosbessen.

Ze zeggen dat in de Lagarfljót een monster huist. Net als bij Loch Ness laat hij zich sporadisch zien. Het zal me niets verbazen......... Het zou een leuke afsluiter zijn, toch?

De Hengifoss meet 118 meter. Ik had me er een voorstelling van gemaakt: een dun straaltje water dat 118 meter naar beneden viel langs een kale rotswand zoals zoveel smalle stroompjes doen. Bij deze waterval zou ik snel klaar zijn, daarvan was ik overtuigd. Het pakte anders uit. Wat dacht je dan? Dit is IJsland, dat land dat me zo goed gezind is en vol verassingen zit. Het werd een knalfeest!

Achteraf begrijp ik niet waarom hier geen busladingen met toeristen worden gedropt. Dit is warempel een van de allermooiste plekken die ik gezien heb! Hengifoss is niet alleen maar die ene waterval. Het is een magnifieke ruige kloof waarin drie grote en een aantal kleinere watervallen liggen. Twee van die drie grote vallen zonder meer in de top-categorie. De Hengifoss zelf die aan het eind van de kloof over een prachtige rotswand valt met aardlagen in banen van donkerrood en oranje/geel, en met een behoorlijke straal water.

Die andere waterval is omgeven door kolommen van basalt. Misschien haalt die het net niet qua schoonheid bij de Svartifoss in Skaftafell. Ik zeg misschien. De kloof herbergt ook nog een geheim. Slechts bij diegenen bekend die niet volgens het voorgekauwde pad naar boven klimmen, maar die de andere zijde van de kloof benutten. Zelfs dan moet je goed opletten. Precies boven de kolommen waterval, ligt er nog een! Een kleinere weliswaar, maar wel een perfecte. Helaas is hij niet echt goed te zien. Laat staan te fotograferen. Het water zal hier rustig verder stromen over een van de vele verborgen schatten uit het IJslandse landschap.

Ik snap het wel, de IJslanders willen de Hengifoss voor zichzelf houden.

Zeven nachtjes slapen, dan vertrekt de boot.

Het grootste bos van IJsland stelt voor Nederlandse begrippen niet veel voor. Naar IJslandse maatstaven wel. Het is een feit dat het in ieder geval naar bos rook en een lange boswandeling maken is ook mogelijk. Ze zijn druk bezig het bos uit te breiden. Overal in dit gebied zie je jonge aanplant. Waarom ze de fout maken door de boompjes in keurige rijtjes te zetten is me een raadsel. Krijgen ze net zo'n bos als wat wij een productiebos noemen. Waar je dwars doorheen kijkt en waar we met spoed vanaf willen. Misschien hebben ze er een reden voor. Ik ken hem niet. Om te fietsen bood het voor een paar kilometer een leuke afwisseling.

Na weken alleen te hebben doorgebracht had ik nu in Egilsstadir de tijd om wat bij te kletsen met het campingmeisje. In mei behoorden Bonny en ik tot de eersten die kwamen en nu begin september is de camping weer zo goed als leeg. Eerst het nieuws: Bij Parijs is een Concorde neergestort en een Russische onderzeeër is onder verdachte omstandigheden gezonken. Raar gevoel is het dat ik dat soort dingen helemaal niet weet.

Verder, voor IJslandse begrippen hebben ze een goede zomer gehad. Een beetje geluk heb ik dus wel gehad. En het vervelende nieuws. Er schijnen dit jaar 25 toeristen op IJsland om het leven te zijn gekomen. Vijfentwintig! Als ik dat maar goed gehoord heb. Ik kan het nauwelijks geloven. Wat ik wel voor waarheid aanneem is dit: een vrouw is in de Dettifoss gevallen en verdronken; even daarvoor of erna is een moeder met twee kinderen erin gevallen. Wonderbaarlijk genoeg hebben zij het overleefd. Voorts zijn er nog de nodige bus-ongelukken gebeurd. In ieder geval is twee keer over een bus in een rivier vast komen te zitten. Dat kostte ook een persoon het leven. De rest van de passagiers moest op het dak wachten op hulp.

Deze ongelukken geven het wezen van IJsland wel weer. Ik weet ook niet goed wat ik er van moet vinden. Aan de ene kant heb ik mensen genoeg gezien die er-om-vragen. Aan de andere kant: een ongeluk zit in een klein hoekje. Op IJsland een verdomd klein hoekje.

O ja, het Noorderlicht heb ik ook nog gezien. Consequentie is wel dat het 's nachts steenkoud is. Nachtvorst in begin september. Helaas, het monster van de Lagarfljót verscheen niet aan mij.

De bootreis terug was een ramp. Heel harde wind en storm, zodat ik twee dagen zwaar zeeziek ben geweest. Dat gun je je ergste vijand niet. Dat het flink tekeer ging bleek ook wel. In de tax-free shop werd het een puinhoop omdat flessen drank en andere artikelen uit de rekken vielen. Ik heb ooit het plan gehad om zeeman te worden. Nu weet ik dat dat een zeer korte carrière geworden zou zijn.

Bij de Faeröer - tussen de eilanden - werd het water wat rustiger. En wat ik daar zag, gelooft nog steeds niemand. Het water van de watervallen die over de steile rotswanden in zee vallen, GING OMHOOG. De keiharde wind kwam eronder en zorgde voor dit zeer vreemde verschijnsel.

Slot
Ik heb de dotterbloemen zien bloeien langs de kronkelende beekjes en langs de kaarsrechte diep in het land liggende sloten in het boerenland. Het geel van de dotterbloemen verdween. De witte bollen van het wollegras verschenen. Ondertussen verwaaien ook zij. De lammetjes - eerst nog mekkerende bolletjes - zijn inmiddels echte schapen geworden. Er zijn er toch nog die proberen te drinken bij hun moeder.

De vogels. Ik heb ze zien baltsen. Het eerste ei. Al de jongen die ik heb gezien. In mijn handen heb gehad, zoals die jonge paarse strandloper die door mijn toedoen te ver was afgedwaald. Een paar gram leven.

Het opgewonden gedoe van de ouder vogels. Verstilt voor een half jaar. Dan begint het hele spel van voor af aan. Ongetwijfeld met een andere eenzame fietser die nog maar eens op zijn tanden bijt: Vervloekte Wind! Het is duidelijk, de zomer is voorbij.

En, zo terug kijkend, wat heeft het allemaal opgeleverd? IJsland voelde vanaf het begin af aan als thuis. Dat klinkt misschien stom maar ik heb altijd het gevoel gehad dat de Oosterveldsestraat achter de volgende berg lag en dat ik er zo heen kon fietsen. Ik heb ook geen verklaring hoe dat komt. De mensen zijn erg aardig voor me geweest en het land ook. Misschien komt het doordat het leven hier zo relaxed is. Ieder gaat zijn gangetje en niemand maakt zich druk, als in een dorp.

Ik heb bijna alles gezien wat ik vooraf zien wilde, behalve de Dettifoss en Landmannalaugar. Ik heb heel veel gezien waarvan ik het bestaan niet wist. Ik heb over veel dingen/plaatsen gehoord waar ik nog naar toe moet. Het is dus zeker dat ik naar IJsland terugkeer. Dan op de motorfiets zodat ik overal in het binnenland terecht kan.

Hoe vaak ik in deze stukjes de woorden mooi en prachtig heb gebruikt? Heel veel. En het is gewoon waar. IJsland is het mooiste land dat ik tot nu toe heb gezien. Het heeft ook de meeste indruk op me gemaakt.

Heel veel dia-rolletjes heb ik vol geschoten. Nog veel meer niet. Sommige dingen kon ik gewoon niet fotograferen. Daarvoor ben ik kennelijk nog niet goed genoeg. Die dingen heb ik laten liggen voor een volgende reis. Ik heb er wel heel veel van geleerd. En zo af en toe ook nog een paar knallers gemaakt. Goed fotograferen vraagt om concentratie en motivatie en is daardoor behoorlijk intensief. Dat kon ik lang niet altijd opbrengen. Soms hoopte ik zelfs dat het rotweer zou zijn. Kon het toestel eindelijk in de tas blijven. Maar zelfs dan......

Ik heb ook het nodige geschreven. De stukjes voor de Dorpskrant zo uit de losse pols, een aantal andere artikelen en verschillende stukken voor twee nieuwe boeken. Met een daarvan was ik al bezig, voor de ander kreeg ik het idee op IJsland.

Ideeën, ja dat heeft het opgeleverd. Ideeën en ervaringen voor verhalen en foto's. De uitdaging is om dat concreet te maken. De uitdaging om IJsland op de fiets te bedwingen is gelukt. Het leverde me de mooiste zomer van mijn leven op.

Gevist?            Niet aan toe gekomen.

Afstand?          4.000 km IJsland + 1.200 km naar huis

hoogste snelheid? 74 km/uur

lekke banden? 3 op IJsland (twee door eigen schuld; te harde achterband in de zon; te lang doorgereden op versleten achterband)

foto's?              Ongeveer 4000 stuks dia's, dus een per kilometer.

Vijf kapotte spaken

voor- en achterband vervangen

remblokjes voor- en achter vervangen

Verder is de ketting versleten en is een aantal kettingwielen aan vervanging toe.

Tonny Buijs