BROKKEN GEWELD

 

Vol ontzag bekijk ik de foto: een trotse vanger met een vette spiegel. Niets bijzonders, zo bestaan er duizenden. Vanwaar dan die bewondering? Op de achtergrond staat een tentje, bedolven onder een dikke laag sneeuw. Ook de batterij hengels is voorzien van het witte goedje. De vislijnen zijn uitgeslagen van de rijp en verdwijnen in het deels bevroren water. De top-ogen zijn dichtgevroren. Deze verstilde wereld doet ijzig koud aan.

     De karper toont perfect. Hij is strak en het waterige zonnetje doet zijn kleuren prachtig uitkomen. De vis is in topconditie en voor dit jaar waarschijnlijk op zijn zwaarst.

     Heel soms, in een enorm fanatieke bui, denk ik dat zo=n vangst ook voor mij is weggelegd. De vangstverhalen zijn heel overtuigend. Wintervissen is slechts een kwestie van doorzetten en je wapenen tegen de kou, zeggen ze. Het succes volgt vanzelf.

     Lang duurt deze bevlieging nooit bij mij. Doorzetten kan ik best, als het zonnetje schijnt en het buiten minimaal twintig graden is. Ik ben geen wintervisser, nooit geweest ook. En het is bijna zeker dat ik het ook niet zal worden. Zodra de laatste libel het loodje heeft gelegd, begint bij mij de winterslaap en ik ontwaak niet eerder voordat de eerste libellen, nota bene winterjuffers genaamd, weer vliegen.

     De winter is een tijd van dromen. Van overijverige karpers in weelderig groen, van bruisende bellenplakkaten, van happende bekken en om me heen gonzende insecten. 

 

Een langzame start
Normaal gesproken eindigen de eerste sessies van het nieuwe jaar zonder karper. Het water is nog koud, het uitzicht troosteloos en kleurloos, en de vis laat zich nauwelijks zien. Het is net alsof ik me eerst weer moet leren inleven in het leven van de vis. Pas na enige tijd komt het gevoel terug en vind ik de vissen weer op de plaatsen waar ze volgens mij moeten zitten. Vanaf dat moment begin ik te vangen en laat mijn zesde zintuig me niet meer in de steek.

     Eind maart is de zon sterk genoeg. In het heldere water koersen duistere schimmen zonder haast en doel boven het ontluikende plompenveld. Ze koesteren de eerste echt krachtige zonnestralen. Het duurt nog een paar weken voordat voldoende bladeren het oppervlak hebben doorbroken. Dan zal ik er zijn met mijn drijvende hondenbrokken, om te kunnen genieten en te kunnen poseren.

     Aan de oppervlakte vissen is de mooiste visserij die bestaat. Of dat nu met een droge vlieg is, of met een korst brood, dat maakt niet uit. Het visuele aspect - en mannen zijn nu eenmaal visueel ingesteld -, het aanschouwen van de naderende vis en het daadwerkelijk zien verdwijnen van het aas, is zonder meer bloedstollend. Er bestaan zelfs karpervissers die niet aan deze visserij beginnen omdat het veel te spannend is.

     Aan de oppervlakte dus. Het liefst onder de eigen kant met slechts een paar meter uitstaande lijn. En als het even kan, midden tussen de waterplanten. Daar waar de ware strijd gestreden wordt: in het hol van de leeuw. Dat is mijn visserij.

 

Het aas
De een zweert bij Brekkies de ander bij Felix. Voor mijn oppervlaktevisserij op karper houd ik het al lange tijd op Bonzo menubrokken. Helaas heeft de fabrikant vorig jaar de vorm van de brokken gewijzigd. De roodbruin gekleurde kussentjes van vroeger hebben plaatsgemaakt voor veelkleurige brokjes met een onbestemde platte vorm.

     De oude brokken hadden als voordeel dat ze zwaar waren, waardoor je ver kon voeren, en dat ze lang hard bleven. Een ander voordeel was het hoge drijfvermogen. Een Bonzo brok was voldoende om een haak maat 2 boven te houden. De nieuwe brokken hebben als voordeel dat ze behoorlijk snel zinken. Dit lijkt op Cruijffiaanse retoriek.

     Maar het is heel simpel. Het geringe drijfvermogen van de nieuwe Bonzo=s kan gecompenseerd worden door er meerdere aan je haak te bevestigen. Het mooie van de nieuwe Bonzo=s is echter, dat ze na een paar uur over de hele waterkolom verspreid zijn geraakt. Ze liggen op de bodem, hangen tussen de waterplanten en drijven aan de oppervlakte tussen de plompenbladen. Er is simpelweg geen karper die het voergordijn kan missen!

     Verschil in vangkracht is mij niet opgevallen. Wel blijft het vervelend dat de nieuwe Bonzo=s (te) snel week worden.

 

Het voeren
Start het voeren op een mooie zonnige dag, waarop je onder plompenbladen een aantal karpers ziet zonnen. Dan weet je zeker dat er vis aanwezig is. Er is nog een zekerheid. Het voeren met Bonzo=s moet zeker in het begin van de campagne massaal gebeuren. Het is zaak, snel een karper aan het vreten te krijgen. Heeft eenmaal een vis het kunstje door, dan volgt de rest alras. Heb je na een tijdje, dat kan al na een paar dagen intensief voeren zijn, de hele populatie aan het vreten, pas dan sla je toe. Het is nu zaak je hersens goed te gebruiken.

     Karpers die verzot zijn geraakt op Bonzo=s vinden de brokjes zeer snel. De keren dat bij mij, binnen vijf a tien minuten een karper op de kant lag, zijn niet te tellen. Daarbij aangetekend dat tellen niet mijn sterkste punt is. Wacht bij het eigenlijke vissen daarom niet, totdat de halve populatie zich binnen jouw plompenveld heeft verzameld. Het is een mooi gezicht, dat ben ik met je eens, maar daar geniet je beter van tijdens het voeren.

     Zodra een karper zich heeft aangediend, moet je hem vangen. Tenminste als het een grote is, want deze visserij kan uitermate geschikt zijn om selectief te vissen.

     De truc is heel simpel. Is er op je stek maar een vis aanwezig, dan kan er ook maar een schrikken als je hem haakt. Zijn er meerdere vissen, dan gaan er meerdere op tilt met de kans dat ze schuw worden op de Bonzo=s. Daarmee zou je je in het vervolg van de campagne mooi mee te kort doen. Overhouden noemen ze dat in de biljartsport.

     Je hoeft trouwens niet na te laten om massaal te voeren tijdens een vissessie. Zelf gooi ik meestal de helft van een te bevissen plompenveld plat. Het is geen gek idee om meerdere plompenvelden op deze manier voor te bereiden. Zo gauw een vis - ergens in het veld - gaat azen, benader je hem. Mijn ervaring is, dat die vis zijn eigen stukje eerst behoorlijk leeg eet. De kans dat hij, dan hier, dan daar in het veld opduikt, is vrij klein. Werp vervolgens het aas op een strategisch plekje zo dicht mogelijk bij de vis. Het resultaat laat zich raden. Vervolgens verkas je naar een volgend veld plompen, waar als het goed is, de karpers al op je wachten.

     Meestal kom ik er niet aan toe een watertje vaker dan eenmaal per week te bevissen. Ik blijf echter wel regelmatig voeren. Zeker twee keer per week gaat er een kilo Bonzo=s te water. De karpers blijven zo aan het eten. Al schijnt de zon niet, regent het pijpenstelen en staat er een koude wind, de vis blijft naar de oppervlakte komen. Massaal doorvoeren betekent ook dat eerder gevangen vissen opnieuw aangestoken worden een hondenbrok te nuttigen. Sta er niet versteld van eenzelfde vis drie- of viermaal in het seizoen te vangen. Doorvoeren betekent ook dat je zeker tot eind oktober oppervlaktekarpers kunt blijven vangen.  

     Bijna zeker is ook, dat je last zult krijgen van vogels. Op een gegeven moment krijgen eenden, meerkoeten en meeuwen door dat Bonzo=s een heerlijk en makkelijk te verkrijgen voedsel is. Opstaan en met de armen zwaaien wil in het begin nog helpen. Wanneer dat niet meer werkt, kun je proberen te vliegeren met een plastic zak. Als de wind gunstig staat, hang je een hengsel van de zak achter je haak. De wind laat het plastic bollen en wil het meenemen. Laat de lijn vieren, de hengel lekker krom en met een ratelende slip, en het gevogelte schrikt zich de pleuris.

     Zijn alle trucs geprobeerd, dan rest niets anders als berusting. Hinderlijk zijn de vogels niet. Tenminste niet in die zin dat ze karpers zouden verjagen. Integendeel zelfs, ben ik geneigd te zeggen. Het is alleen zo, dat ze veel van het voer opeten en dat voel je in de portemonnee.

 

De uitrusting
Vanwege de dichte plompenvelden en andere waterplanten gebruik ik onbreekbare Corastrong. De lijn ziet eruit als kabeltouw en zo sterk is het ook. Een gehaakte karper is daarom al bijna gevangen, een geruststellende gedachte. Met een palomar knoop wordt de haak, een Drennan superspecialist maat 2, aan de lijn bevestigd. Vanzelfsprekend wordt de weerhaak dichtgeknepen. Voordelen: makkelijker onthaken, minder grote wond en het belangrijkste: het verder doordringen van het metaal in het karpervlees. De haak vult zich eerder tot in de bocht waardoor de kans op uitbuigen en losschieters minder wordt.

     De keuze van de hengel bij gebruik van dyneema lijnen, waaronder Corastrong, vraagt om enig overleg. Mijn visserij, midden tussen de plompen, vindt dicht bij de kant plaats. Vijftien meter is al ver te noemen en de dril vindt plaats op de vierkante meter. Daarom kan ik me geen stugge carbonpook veroorloven. De geringe demping van deze hengels, gecombineerd met de lijn zonder rek, zou bij de aanslag als een mokerslag aankomen bij de karper. Bovendien zou er tijdens de dril enorm veel (teveel) van de haak gevraagd worden.

     In dit geval is het beter om een soepele glasvezelstok te gebruiken. Zelf gebruik ik een Bruce and Walker hexagraph met een testcurve van 1 5/8 Lbs. Ja inderdaad, het is een carbonstok. Echter door zijn speciale bouw heeft deze hengel de eigenschappen van een soepele glasstok. Alleen, met veel meer power. Voor mij is het de ideale hengel.

     De enige frivoliteit die ik me meestal nog veroorloof is een kleine baarsdrijver. Dit drijvertje komt op ongeveer 20 centimeter van de haak. Het toont meteen of een aanbeet doorzet, of niet.

 

De praktijk
Het gekozen water bevat twee velden gele plomp. Geruime tijd heeft het Bonzo's geregend en de karpers zijn perfect afgericht. De vraag is niet meer of we gaan vangen, maar welke. Met de wind mee voer ik de brokken in het eerste veld. Vervolgens loop ik door naar het tweede en voer ook daar. Het zal een minuut hebben geduurd voordat de eerste slurf door de waterspiegel breekt. De vis lag al te wachten. Met trillende vingers worden drie Bonzo=s aan een draadje katoen geknoopt, gewoon met dubbele oud wijven. Het naaigaren dat ik als hair gebruik maak ik vervolgens met een dubbel oud wijf vast in de haakbocht. Niks geen moeilijk gedoe.

     Een onderhandse worp is voldoende. Het aas landt in een gaatje tussen de bladen dicht bij de fanatiek azende vis. Voorzichtig trek ik de lijn strak en leg het zoveel mogelijk over de plompenbladen heen. Voordelen: de dikke lijn is grotendeels onzichtbaar, een aanbeet is beter te volgen en de aanslag wordt niet gebroken door in de weg zittende plantenstengels.

     Rustig dobberen aas en haak tegen een plompenblad aan. Het is geen gezicht de haak onder het aas te zien hangen. De karper stoort zich er echter geen moment aan en slobbert het geheel zonder argwaan naar binnen.

     Het water explodeert. Afgerukte plantendelen vliegen door de lucht. Een waterfontein spat op. Geweld. Brokken geweld op de vierkante meter. Snel is het pittige gevecht over. Een spiegelkarper glijdt het net in. Ik constateer tevreden dat ik inderdaad nog geen vijf minuten aan het vissen ben.

     Het meten, wegen, poseren en het opruimen van de spullen neemt als gauw een kwartiertje in beslag. Op de tweede stek aangekomen blijkt het feest dan ook in volle gang te zijn. Hier winnen mijn emoties het van het verstand. Niks overhouden, ik wil er nu nog een vangen.

     Een tijdje volg ik het schouwspel. Woeste karpers gunnen elkaar geen brok, drijven elkaar tot het uiterste. Kijk dat noemen we nou voedselnijd. Het water deint, de planten golven. Maar aan de rand van de orgie verdwijnen de Bonzo=s onopvallend. Een onzichtbare kracht zuigt de brokken een voor een van het oppervlak. Een minuscule draaikolk verschijnt op de plaats waar een honderdste van een seconde geleden nog een hondenbrok dreef. Deze karper is een subtiele zuiger. Het is een heel ander type dan de grote hebberd. De grote hebberd is een karper met een mentaliteit van: ikke, ikke, ikke en de rest kan stikken. Hij is te herkennen aan zijn grote kop boven water, soms zelfs zijn halve rug, en de bek wijd open. Zo stroopt hij de oppervlakte af. Alles verslindend wat op een hondenbrok lijkt.

     De aanbeet van een grote hebberd is niet te missen. Vaak haakt de vis zichzelf op de door mij vrij strak gehouden lijn. De aanbeet van een subtiele zuiger is een heel ander verhaal. De baarsdrijver verricht nu goede diensten en blijkt toch niet zo'n frivoliteit te zijn. Glijdt deze van het plompenblad, dan heeft de beet doorgezet en kun je aanslaan. Langer wachten bij deze doorgaans schuwere vissen resulteert meestal in een misslag.

     De tijd verstrijkt. Ik voer de vissen nog eens bij, direct over hun koppen heen. Natuurlijk schrikken ze hier niet meer van. Ook van mij schrikken ze niet meer. Zolang ik niet op de grond stamp en geen onverwachte en snelle bewegingen maak, is het zelfs mogelijk om staand, in het volle zicht, de karpers zich te zien volvreten. Comfortabeler is het echter om rustig op je krent te gaan zitten.

     Om mij heen scheren libellen in de zomerse wereld vol kleur. Kleine- en grote roodoogjuffers zwerven boven de plompenbladen. Gewone oeverlibellen plaatsen hun uitvallen naar prooi vanaf hun uitkijkpost op de sterk ruikende watermunt. Blauwe schichten, de hier talrijke paardenbijters, patrouilleren langs de oever. Verjagen met felle agressie iedere soortgenoot van dezelfde sekse. Langs een paaltje zakt een bruine glazenmaker naar beneden. Het is een ei-afzettend vrouwtje. Met haar legapparaat zeker vijf centimeter onder water plaatst ze voorzichtig haar eieren. Ik verlaat de wereld van kleur en concentreer me op de wereld van spanning.

     De karpers hier weigeren keer op keer mijn aas. Ik verander daarom mijn aanbieding en trek heel voorzichtig de haak op een plompenblad. Alleen de Bonzo=s en de hair zijn in het water. Deze truc is vaak doeltreffend. Deze keer echter niet. Daarom haal ik twee van de drie brokken van de hair. Weer leg ik de haak op een blad. Ook nu weigeren ze weer. Echter, vaak is ook deze truc doeltreffend. Nu schotel ik ze vijf brokken voor op een plekje vijf meter verderop. Een dikke schubkarper kan de verleiding niet weerstaan en maakt van mij een gelukkig man.

     Wat de doorslag gaf om deze aanbieding te accepteren weet ik niet. De volgende keer kan het maar zo zijn, dat ze de truc met vijf brokken negeren en dat een enkele Bonzobrok succesvol is. Mijn ervaring is, dat er op het wel-of-niet-nemen-gedrag geen peil valt te trekken. De ene dag is het zus, de andere dag zo. Het grote voordeel van oppervlakte vissen is, dat je precies ziet wat er gebeurt. Wordt de ene manier van aanbieden drie keer geweigerd, dan pak je gewoon een ander. Want de vissen komen geheid terug. Net zo lang totdat je een karper haakt. De vraag is meer, of je het zelf geestelijk vol kunt houden. Het gaat je niet in de kouwe kleren zitten, als je tot het uiterste moet gaan, om die steeds afdraaiende dertigponder te verleiden.

     Die steeds opduikende massieve kop, vijftien centimeter van je aas af, nog vijf centimeter, nog......... Dat is oppervlakte vissen. Alleen weggelegd voor vissers met stalen zenuwen, die in staat zijn het brokken geweld te beteugelen.

 

Tonny Buijs