KARPERPRAAT

 

Eindelijk begon het weer eens te waaien. Het heldere zonnige weer van de afgelopen paar dagen had plaats gemaakt voor bewolking en een harde zuid-westen wind. Dit was perfect en ik baalde ervan dat ik - ondanks mijn goede voornemen - pas om 13.00 uur mijn nest uit kwam rollen. Rond 14.00 beende ik in gestrekte draf de dijk naar beneden. Vastberaden koerste ik af op de binnenring want deze keer wist ik precies waar ik zou gaan zitten. Een ogenblik later verdween een pop-up boilie richting het onzichtbare grote plompen­veld. Pas over enige weken zouden daar de nieuwe frisgroene bladeren ontluiken. De andere hengel beaast met een ritsje pop-up mais, legde ik onder mijn eigen kant. Een snel resultaat bleef behoudens een paar oplopertjes met mais uit. Tijd dus om eens actie te ondernemen.

Ik pakte een blikje zoete mais en liep naar het kleine plompenveld. Een meter uit de kant maakte ik een voerstek. De zachte oranje korrels wierp ik zo dat ik ze kon zien liggen. Zo zou ik later makkelijk kunnen vaststellen of het zinvol zou zijn de plek af te vissen. Daarna liep ik rustig langs het kantje terug naar de basisstek. Onder weg was geen karper te zien. Na een kwartiertje op de stretcher gezeten te hebben, was mijn ongeduld alweer zo groot geworden - mijn zesde zintuig 'rook' karper - dat ik op het voerstekje moest gaan kijken. Als het toch eens zo mocht zijn dat het water op de stek bruingekleurd was, stelde ik me voor. Op de een of andere manier niet onverwacht was dat inderdaad het geval. Er kwamen zelfs wolkjes bellen omhoog. Het jagersbloed begon te koken; jij bent voor mij. Al wist de karper daar nog niets van. 

Snel werd de boilie-hengel binnengehaald en werd het systeem omgebouwd. Twee baars­drijvertjes aan de lijn, daaronder een multistrand onderlijn (12 ponds) en een Rini Groothuis haak maat 6. Waarom een onderlijn? Ik geloof in soepelheid. De multistrand lijn is een groot deel soepeler dan de 27/00 Maxima hoofdlijn. Verder dient de verbindingswartel als "lood" hagel zodat geen lijnbeschadigend lood nodig is. Wanneer in voorkomend geval meer ankergewicht nodig is, dan knijp ik een loodhageltje op het iets langer gehouden uiteinde van de knoop aan de wartel.

Gewapend met hengel, blikje mais en schepnet arriveerde ik op de stek. De laatste meters werden "met de pik in het zand" afgelegd. De vis lag er nog steeds zij het niet meer zo actief. Om hem weer wat in beweging te krijgen en om hem het volste vertrouwen in het aas te geven, strooide ik heel voorzichtig nog wat zoete mais. Plotsklap was daar die stofwolk. Was de vis geschrokken van een armbeweging? Half om half begon ik al te balen. Gelukkig volgden er nu meer stofwolkjes. De vis was meteen weer aan het azen geslagen!

Nog voorzichtiger gooide ik nu in. De diepte was aardig geschat. Al komt dat niet zo heel nauw met baarsdrijvertjes. Een gigantisch voordeel, bij jagend vissen, ten opzicht van een pen vind ik zelf. Je kunt het je namelijk niet veroorloven met een azende vis in de buurt om een paar keer in te gooien om de juiste diepte te vinden. Voortijdige boeggolven zijn vaak het resultaat van dergelijke acties.

Met de zenuwen in de strot en een hartslag als een housebeat zat ik te rillen van de kou. Mijn handen begonnen ongecontroleerde bewegingen te maken zodat ik de hengel neer moest leggen. Vervolgens stopte ik de bijna ijslollies in de warmtelaarzen. Ineengedoken wachtte ik in een striemende regen en een ijzige stormachtige wind op de dingen die zouden komen. De enige mazzel die ik had, was dat ik de wind in de rug had.

Vaag hoorde ik achter me wat door de wind gedragen stemmen. Ik keek voorzichtig achterom en zag dat mijn fiets op de dijk op dat moment door drie pubertjes gemolesteerd werd. Wat te doen? Opstaan, naar de dijk lopen en daardoor misschien de karper verjagen? Of de fiets in de poeier laten trappen? Dat ging me toch iets te ver. Dus stond ik rustig op en liep de eerste meters subtiel van de stek weg. Daarna versnelde ik iets. Op een derde van de afstand kreeg het tuig me in de gaten en sloegen ze op de vlucht. Ik kon weer terug naar de hengel. Later bleek dat de jasbeschermer vernield was en dat ik van de voorband het ventiel miste. Zinloze vernieling, een activiteit waaraan de verziekte "jeugd" zich steeds vaker schuldig lijkt te maken. Ben ik even blij dat mijn vroege jaren zich grotendeels aan de waterkant hebben afgespeeld!

Nu was het zaak weer zonder trillingen en snelle bewegingen op de stek te komen. Dat lukte niet helemaal gezien de enorme stofwolk en wellingen die onder de kant ontstonden. Maar geen boeggolf van een wegvluchtende karper. Het kon dus wel eens zo zijn dat de aasactiviteit een climax naderde. Het duurde dan ook niet lang voordat de drijvertjes met een noodgang de diepte in verdwenen. In een reflex sloeg ik aan. Hangen!

De zelf afgebouwde hexagraph (11,6 feet; 1 5/8 lbs) sloeg dubbel en de vis ondernam een runnetje. Op zich was dat al heel wat op deze beul van een hengel. De vis kwam al snel hoog in het water. Een spiegel dat kon niet missen. In het kristalheldere water was de karper goed te volgen. Welke zou het zijn? Hij was niet erg groot. Zou het Gezwelletje zijn? Dat is een relatief kleine vis van zeventig centimeter maar wel ontzettend dicht bij de magische twintigpondsgrens. Zo vroeg in het jaar zou hij daar waarschijnlijk wel over heen gaan.

Het was Gezwelletje niet. Het was het spiegeltje dat ik er zelf tien maanden geleden had ingezet en deze had nog geen naam (inmiddels Tweede gracht spiegel). Op het eerste gezicht was de vis enorm gegroeid en aangekomen. Persoonlijk ben ik zeer geïnteresseerd in de groeimogelijkheden van karpers in verschillende wateren. Dus met uiterste nauwkeurigheid werd de vis gewogen, dat gaf geen probleem, en gemeten wat ontzettend lastig was door zijn dikke buik. Ik kwam op het laatst tot vijfenzestig centimeter en 12,4 pond. Niet groot nee, maar wel een vis van het Hoefijzer. Na een afwezigheid van drie en half jaar was dit de eerste. Zeer indrukwekkend was de lengte toename van acht centimeter en de gewichtstoename van 5,6 pond in 10 maanden tijd. Gezond en voedselrijk water met een beperkte karperpopulatie (14 exemplaren) doen wat dat betreft wonderen.

Nieuwe materialen
Op een gegeven moment komt er een tijd dat oude vertrouwde gewoonten en materialen plaats maken voor nieuwe. Dat deze aanpassing niet altijd vlotjes verloopt, ondervond ik aan den lijve.

Eigenlijk was het een samenloop van omstandigheden. Ten eerste was daar het feit dat ik met mijn "nieuwe" hexagraph hengel een haakings - landingspercentage van bijna honderd had. Het tweede feit was de komst van een nieuwe eigenaar van de hengelsportzaak in onze stad.

Iedereen weet dat de combinatie hengel, lijn en haak zoveel mogelijk in evenwicht moet zijn. Dit was tenminste een van de eerste dingen die ik leerde in mijn visserscarrière. De grote man achter de verbreiding van deze ideeën is ongetwijfeld - good old - Jan Schreiner geweest.

Mijn oude combinaties voldeden aan dit concept. Mijn Alan Brown glashengel (11 feet; 1,5 lbs) bijvoorbeeld die ik als penhengel gebruik, werd voorzien van tweeëntwintig of vierentwintig honderdste Tortue Nacrita en een Kevin Maddocks Hairrig haak maatje zes of acht. Lijnbreuken of uitgebogen haken traden niet op. Ik had echter wel de nodige losschieters. Zonder vergelijkingsmateriaal ging ik denken dat dat normaal was. Op mijn boilie hengels had ik weliswaar veel minder last van dit euvel, maar dat was een totaal andere manier van vissen (met andere haken) en dus waren de resultaten niet te vergelijken (dacht ik). Nu ging ik mijn hexagraph als penhengel gebruiken. Ach, het was een nieuwe hengel en ik wilde er zo snel mogelijk karper mee vangen. Deze hengel vroeg om een veel zwaardere lijn (27/00 Maxima) en om de zaak in balans te houden een zwaardere haak (R.G. maat 6). Zoals gezegd werkte deze combinatie perfect en - zowaar - ik kreeg zo goed als geen losschieters.

Toen begonnen mijn grijze celletjes wat zaken te combineren (tamelijk laat, maar ik ben nu eenmaal een luie visser). Zaken als vorm van de haak, plaats van de weerhaak en dikte van de draad begonnen voor mij ineens heel belangrijk te worden. Hoofdstukken uit boeken en artikelen uit tijdschriften begonnen mijn gedachten omtrent de K.M. hairrig haken te bevestigen. Het bleek dat losschieters inderdaad normaal waren. Ja, met die bewuste haakmodellen dan. Ik herhaal hier wellicht vele auteurs, maar inderdaad die Maddocks haken hebben meer vissers dan karpers gevangen. Iets wat je een commercieel bedrijf moeilijk kan aanrekenen, maar waar sommige vissers nu nog nachtmerries van hebben, hè Guido! Zonder enige aanleiding schoot een vis van om en nabij de dertigpond los, die uitgeput een halve meter van het wachtende schepnet lag. Zo zag ik de haak goed in de bek zitten en zo was de vis vrij! Het bleek een Maddocks Hairig haakje, ja. Toch leuk dat die vis een kwart van de hele populatie uitmaakte.

De Alan Brown penhengel zou dus voorzien moeten worden van nieuwe haken. De hexagraph is een schitterende hengel maar veel te zwaar voor het werk waar ik hem voor gebruikte. Karpers vangen was geen probleem. Ik miste alleen de lol van een dril. Het is niet echt leuk als je negen van de tien vissen binnen een halve minuut in je net hebt liggen.

Het tweede genoemde aspect was de komst van een nieuwe winkelier. Gespecialiseerd in vliegvissen en voor mij iets belangrijker in karpervissen. Van collega karpervissers had ik lovende verhalen gehoord over een spotgoedkope Silstar lijn die aangeraden werd door de winkelier. Hij verkoopt zelfs geen Maxima voor zover ik weet. De keus voor die lijn lag dus nogal voor de hand. In de winkel hing ook een bord met daarop een overzicht van diverse haken.  

Haken die me aanspraken waren de Drennan Super Specialist, een haak van Kamasan - een dundradige uitvoering van de Drennan - en de nieuwe Maddocks boiliehooks. De Maddocks was zeer dikdradig en had een enorme weerhaak maar het was wel een klauwmodel. Ik koos uiteindelijk de Kamasan in de maten 4 en 6, de Drennan 2 en 4 en de Maddocks boiliehook 6.

De resultaten
Op mijn Penn molen model 714 Z werd 100 meter 22/00 Silstar Super strong gespoeld, daarop kwamen twee baarsdrijvertjes en direkt aan de lijn een Maddocks haak. De eerste vier vissen werden zonder problemen gevangen. Maar in twee gevallen kon de haak zonder enige weerstand uit de bek gehaald worden. Voorlopige conclusie: mijn hengel was te zacht om de haakpunt tot voorbij de weerhaak te zetten. Verder was er iets wat mijn onderbewuste wel signaleerde maar wat niet direkt tot me doordrong: de eindjes lijn voorbij de knoop waren steevast korter na een dril.

Eindelijk vond ik een karper. Dáár, een meter van de kant bewoog een pluk wier. Zorgvuldig kneep ik een grote vlok om de haak. In slow-motion zakte een witte weke massa in het water, net voorbij de planten. Het duurde niet lang of de drijvertjes begonnen te dansen alvorens weg te lopen. Na twee runs hield de karper het voor gezien en kon hij boven het net getrokken worden. Centimeter voor centimeter kwam hij dichterbij. Nu lag hij half boven het net. Met een uiterste krachtinspanning ploegde de vis toch weer een metertje weg, totdat mijn hengel rechtsprong.......... Na een paar minuten was ik weer bij mijn positieven. Het lag toch aan die Hairrig haken al die losschieters? Bij nadere inspectie bleek echter mijn haak verdwenen te zijn. Een zeer vreemde gewaarwording overviel me, want dat was zeker al in geen tien jaar meer gebeurd. Aan het einde van de lijn getuigden wat krullen - wat eens een goedgelegde bloedknoop was - van het gebeurde. De knoop was losgeslipt!

Ik ging de volgende dag gelijk verhaal halen bij de winkelier. Onderweg kwam ik Maurice tegen die op het Hoefijzer aan het vissen was. Hij gebruikte ook de bewuste lijn en had nooit problemen gehad. Hij gebruikte echter de Palomar knoop. Nog niet geheel overtuigd reed ik door naar de stad.

Ik vertelde Peter, de winkelier, het verhaal. Ik was de eerste die problemen had met die lijn zei hij. Als een goed winkelier betaamd nam hij een haak, een klos van de bewuste lijn en een schaar. Hij legde een Palomar knoop, nam de klos in een hand, haakte de haak achter een oog van de schaar en trok uit alle macht. Er gebeurde niets, alles hield. Dan ik maar. Ik herhaalde het ritueel en legde een perfecte bloedknoop. Ik trok en zie, de lijn slipte zo door de knoop heen. Nu leg ik altijd de bloedknoop zonder het einde van de lijn nog eens door het lusje heen terug te halen. Dat werkte voor mij met Tortue en Maxima altijd goed. Nu probeerde ik ook de verbeterde uitvoering - met terughalen dus. Ook deze knoop slipte, zij het niet zo snel. Daarna legde Peter nog een bloedknoop met een dubbele lijn. Deze variant hield wel. Overtuigd van de kwaliteiten van de Palomar knoop en de lijn (er werd ontzettend hard getrokken bij de test) verliet ik de zaak. De Silstar Super strong lijn zo bleek, is een extreem gladde lijn en daardoor slipten mijn oude vertrouwde knopen. Voordeel van de gladde lijn was, dat deze minder weerstand oplevert als de gehaakte vis langs obstakels zwemt. De lijn bleek behoorlijk schuurvast.

De hele nacht had ik geen teken van karper gezien. Tegen het ochtendgloren begon een karpertje op de broodkorstjes te azen die daar al de hele nacht lagen. De vis was zeer schuw en bij iedere korst die hij probeerde schoot hij direkt met een boeggolf weg om direkt daarna weer terug te keren voor een nieuw tussendoortje. Langzaamaan nam de voorzichtigheid af. Onder luid gesmak verdwenen de korsten, soms zelfs twee tegelijk. Ik kroop naderbij en liet een flinke vlok zakken. Niet lang daarna kwam de vis in de buurt en stevende recht op de vlok af, dacht ik. De drijvertjes verdwenen uitzicht. De eerste run was ontzettend hard, veel te hard voor zo'n visje. De karper was zo'n vijfentwintig meter van me verwijderd en probeerde een struik in te scheren. Door zoveel mogelijk in de richting van de struik te trekken (de struik was immers een aanzienlijk eind bij me vandaan), kon ik maar net voorkomen dat hij erin zwom. Ik was nu al zo'n vijf minuten stevig aan het drillen toen .......... Jawel, de hengel wederom recht sprong. Wat zou er nu weer gebeurd zijn? Een losschieter? De haak weg? Of lijnbreuk? Het was een losschieter. Echter aan de Kamasan haak zat een schub geprikt. Een valsgehaakte vis derhalve. De Palomar knoop had goed gehouden.

Die namiddag bracht ik een bezoekje aan het Hoefijzer. Maurice had er de vorige nacht gevist en zat er nu weer. Ik was zeer benieuwd of hij wat had gevangen. Alvorens naar Maurice te lopen, die bij het kleine plompenveld zat, observeerde ik eerst een tijdje bij het grote plompenveld. Ik telde al snel drie actieve vissen. Zou ik een hengeltje gaan halen?

Maurice had een zware nacht achter de rug. De vorige avond hadden de vissen als gekken op zijn stekken geaast. Springen, draaien en golven, het kon niet op. En ook vandaag waren de vissen zichtbaar aanwezig. De vis was gisteren niet alleen zeer actief geweest, hij had er ook twee aangehad. Bij de een was de lijn direkt na het kontakt geknapt, de andere lijn knapte al voordat hij de vis voelde. Hoe kwam dat nu? Simpel, Maurice had voor het eerst van die groene plastic loodstoppertjes gebruikt. Precies op die plaats knapte zijn lijn. Twee vissen missen is altijd erg, maar in het geval van het Hoefijzer, waar iedere vis met grote gouden letters in het logboek mag worden vermeld, komt de klap drie dubbel hard aan.

Toch zag het er niet al te somber uit. Op dit zwaar gedresseerde water had hij toch een methode gevonden om de vissen te foppen. Het kon dus niet uitblijven of hij zou vis gaan vangen.

Zelf had ik plannen om op een ander water te gaan vissen dus ik bleef niet al te lang. Op de terugweg kwam ik opnieuw langs het grote plompenveld en daar werden de vissen ook steeds actiever. De dagen dat de vissen compleet los zijn, komen niet echt veel voor. Om ten volle hiervan te profiteren zette ik mijn plannen om. Jawel, ik ging mijn hengels halen om op het Hoefijzer te gaan vissen.

Na wat gegeten te hebben was ik nog maar net terug - ik had de spullen in het gras neergelegd en wat ballen deeg gevoerd - toen ik een Optonic hoorde afgaan. Ik keek richting Maurice en zag hem met een kromme hengel staan. Sneller als Ben Johnson zonder doping kwam ik op tijd aan om de vis te scheppen. Tijdens de dril herkende ik Gezwelletje en deze keer was hij het echt (toch niet bleek jaren later!). Maurice bleek dolblij met zijn eerste Hoefijzerkarper en poseerde met overgave voor de foto's. De vis werd op een nieuw topgewicht gevangen: 21,8 pond bij 73 centimeter. "Had je me nog horen schreeuwen," vroeg Maurice. "Nee hoor, ik hoorde je Optonic."

Alweer een half uur verder kon ik eindelijk gaan vissen. Op mijn voerstek was nog geen vis te zien. Ik twijfelde over de keuze van de hengel. Ik kon mijn hexagraph pakken, of mijn Alan Brown. Met de Alan Brown zou het ongetwijfeld een spectaculaire dril worden die ik midden tussen de plompen weleens zou kunnen gaan verliezen. Met de hexagraph was de kans groot dat ik niet eens beet zou krijgen door de dikkere lijn. Ik koos voor de Alan Brown met een Kamasan maat vier als haak. Op de voerstek was nog steeds geen karper aanwezig maar een twintigtal meters verder ontstond langs het kantje een enorm bellenplakaat. Een karper die langs de bodem schuurde. Twee meter verder ontstond nu een bellenspoor dat zich uitermate langzaam verplaatste. Onafgebroken kwam een stroom fijne bellen omhoog. Wanneer ik een karper tegenkom die op zo'n manier aast dan is het echt altijd raak. Als ik mijn aas kon presenteren zonder de vis te verjagen dan was hij het haasje. In een slakkegang benaderde ik de vis. Ik was nu vlak bij hem. Met een subtiele armbeweging plaatste ik de bal deeg een halve meter bij hem vandaan. Gemoedelijk kropen de bellen verder. Helaas van mijn aas af. Wat te doen? Ik liet het aas rustig liggen. Het bellenspoor veranderde al van richting. In een halve cirkel kwam het nu recht op de deegbal af. Ik had het niet meer. Had ik nu toch maar de hexagraph in mijn hand. De eerste drijver verdween met een ruk onder water. Een fractie van een seconde later - in een tweede ruk - verdween ook de andere. Aanslaan schoot het door me heen. Met trillende handen volgde de reflex. De hengel kromde zich en bleef in die stand staan zonder dat de vis er vandoor ging.

Ik gilde zo hard als ik kon naar de overkant MAURICE. Rustig kwam de karper tot het besef dat er iets niet klopte. De hengel kromde zich tot in de laatste kurk. De slip begon op gang te komen. Tik, tik, tik en ineens spoot hij er vandoor. De hengel stond voor het grootste deel recht naar de vis gericht. Na dat ziedende schot van zo'n tien meter door de plompen viel de vis stil. Nu begon ik te geloven in een goede afloop. Vanuit mijn rechterooghoek zag ik Maurice aankomen scheuren op zijn brommertje. Achteruit lopend trok ik de vis terug langs dezelfde weg waarlangs hij de plompen ingeknald was. Nu was hij terug op de plaats waar ik hem haakte. Maurice dook met het schepnet onder de hengel door, terwijl ik al pompend terugliep naar de waterkant. Ik bereidde me voor op het tweede schot dat komen zou. De vis zwom naar links, langs de oever op. Weer volgde zo'n ziedend hard schot. En weer stopte de vis. Het kon nu bijna niet meer mis. Na deze keiharde dril moest de vis moe zijn.

De lijn zat nu iets onder een hoek, via wat plompenstengels, naar de vis toe. Dit zorgde heel even dat de druk van mijn kant wat minder werd. De vis reageerde onmiddelijk en schoot weg. Met dat dat gebeurde, veerde mijn hengel recht ......... Een losschieter? Lijnbreuk? Of was de haak verdwenen? Niets van dat alles, de haak was uitgebogen.......... De wereld stortte in, mijn maag zakte als een bakkei in een bodemloze put. Ach, je kent het gevoel wel.

Het was geen zware vis, daarvoor was hij veel te snel. Zijn stijl deed me meer denken aan de Rijen, verreweg de mooiste vis van het Hoefijzer.

Had ik nu maar voor de dikdradige Drennans gekozen. Had telt echter niet en bovendien kwam het uitbuigen voor mij als een complete verrassing. Ik dacht dat mijn combinatie hengel, lijn en haak in orde was. Je weet dat pas zeker wanneer er echt om ieder centimeter gedrild moet worden. Gaat het die keer goed dan kan het vertrouwen in je spullen niet meer kapot. Tot op dat moment blijft het bij experimenteren. Samenvattend kan ik zeggen dat de Silstar lijn in kombinatie met een Palomar knoop perfect is voor hetgeen ik het gebruik. Het is sterk (22/00 is gelijk aan 27/00 Maxima drong later tot me door), snijdt soepel door de plompen en vertoont na een harde dril geen teken van verzwakking. Het haken probleem is nog niet geheel opgelost maar ik opteer op dit moment voor de Drennans.

Besluit
Met bovenstaande wil ik illustreren wat er zoal kan misgaan bij de keuze van nieuwe "onbeduidende" zaken als lijn en haak in combinatie met een bepaalde hengel. Natuurlijk zou je altijd je oude vertrouwde uitrusting kunnen blijven gebruiken. Dat is behoorlijk safe. Maar als je zo af en toe eens wilt experimenteren met nieuwigheden die op de markt verschijnen, zoals ik, dan calculeer maar vast een aantal gemiste karpers in. Je kunt veel zaken van te voren bedenken, de harde praktijk aan de waterkant wijst echter uit wat je spullen werkelijk waard zijn. Zijn die gemiste vissen dan niet zonde? Met je oude uitrusting had je ze immers waarschijnlijk wel gevangen. Daarop is mijn antwoord NEE. Met de nieuwe ervaringen in het achterhoofd, een nieuwe frisse kijk op zaken, een toegenomen kennis en een hersteld vertrouwen zul je in de toekomst je voordeel doen. Dan zal blijken dat die paar gemiste vissen vergoed worden door veel meer wel gevangen vissen. Vissen die je anders misschien nooit ontmoet zou hebben.

Tonny Buijs