EEN DERTIGER IN EEN WOONWIJK

 

Er deden hardnekkige geruchten de ronde over dertigplussers die op de Zilverkamp (Goudkust in het boek van Bald de Boer) zouden rondzwemmen. Van Marco of Kip hoorde ik voor het eerst van dit water. Kip had er zelfs al eens gevist en belangrijker nog, gevangen. Daarna hoorde ik van Ronald, die het weer van een man gehoord had terwijl ze de hond aan het uitlaten waren, dat er een zeer grote (schub) karper gevangen was op de Zilverkamp. Het werd dus eens tijd om dat water met een bezoekje te vereren.

Tijdens het observeren kwam er een klein meisje naar me toe dat vroeg wat ik aan het doen was. (Kinderen vragen dat gewoon terwijl volwassenen denken dat je gestoord bent.) "Ik ben op zoek naar hele grote vissen," antwoordde ik. "Mijn vader heeft hier een hele grote karper van wel dertig pond gevangen," vertelde het meisje toen. Aangezien kinderen en gekken altijd de waarheid verkondigen, moest ik zo langzamerhand wel gaan geloven dat er minstens een zeer grote karper in dit plasje huisde.

Toch duurde het tot het voorjaar van 1990 dat ik er voor het eerst een hengeltje uitwierp. 's Middags had ik een groepje karpers bij een duikertje zien rondhangen. 's Avonds kwam ik terug met m'n hengels. Met veel moeite wist ik met Frolic een karper te haken. De kennismaking duurde echter niet lang. Direct na de aanslag schoot de vis los.

Daarna bracht ik nog zo af en toe een bezoekje. Zonder hengel. Bij al die bezoekjes zag ik tekenen van karper. Zo veel zelfs dat m'n vertrouwen in de aanwezigheid van een dertigponder sterk begon te dalen. Immers vele karpers maken de spoeling dun. Zo'n grote vis kon toch nooit op een gewicht van dertig pond komen (of blijven wanneer hij er in is gezet vanuit een ander water) wanneer hij zijn voedsel moet delen met honderden (?) soortgenoten?, dacht ik bij mezelf. Of het water moest misschien door zijn ondiepte, extreem voedselrijk zijn.

In het voorjaar van 1991 zat Mark aan het Hoefijzer te vissen. Hij vertelde dat hij zelf een dertigponder op de Zilverkamp gevangen had. En dat was een spiegelkarper geweest. Tot dan toe had ik alleen van een dertigponds­schubkarper gehoord. Maar het werd nog mooier want er moest ook nog een dertigponds-leder zwemmen. Wat al deze verhalen en geruchten waard zijn weet je nooit, maar ik ging er nu toch maar vanuit dat er tenminste een gigant aanwezig was.

Nu bestaat de Zilverkamp uit twee gedeelten. Een gedeelte ligt midden in een woonwijk en het andere gedeelte ligt bij een sporthal. In de geruchten was men het er niet helemaal over eens waar nu welke karper zwom. Daarbij kwam nog dat ik inmiddels zelfs verhalen over karpers van zesendertig en veertig pond had gehoord. En over kanjers van bijna één meter lengte. Op zijn minst een karper mat zesennegentig centimeter. De plaatselijke jeugd en de aanwezige karpervissers wisten het al met al mooi te vertellen.

Het werd dus tijd om er eens serieus te gaan vissen. Eens kijken wat er van al die verhalen waar zou zijn. Guido beet de spits af. Hij wist in een zeer kort tijdsbestek een paar kleine karpers te vangen. Hij had gevoerd met hennep en gevist met boilies. Na de vangst van deze kleine vissen hield Guido het voor gezien. De vangst vergoedde niet de stress die het meebrengt om hier te vissen.

De Zilverkamp ligt namelijk zoals gezegd voor een gedeelte midden in een nieuwbouwwoonwijk. Het is een ondiepe gracht die zich bij mooi weer uitstekend leent om eens een stukje in een rubberbootje te gaan varen en daar maakt de talrijk aanwezige jeugd dankbaar gebruik van. Ook met mooi weer halen diezelfde kinderen hun weekendsetjes te voorschijn om op de overal rondzwemmende karpers te vissen. En op mooie zomeravonden wordt de waterkant bevolkt met Peppies. Van die zondagskarperaars die af en toe met hun bijleggertjes enorm grote karpers vangen. Zo was ik er, zo bleek achteraf, getuige van dat zo'n Peppie een dertigponder ving. Vanaf een afstandje sloeg ik een dril gade van wat waarschijnlijk een karper was. Dat gebeurde allemaal zo stuntelig en het duurde zo lang dat ik niet eens het einde van de dril afwachtte. Later hoorde ik van Mark dat die vis een dertigponder was geweest. Er zat er dus wel degelijk een!

Verder is het zo dat wanneer je op een mooie zomeravond een karper aanslaat, je tegen de tijd dat de karper geschept wordt, een publiek van zo'n man of dertig hebt opgebouwd. En als het dan 's avonds laat eindelijk rustig dreigt te worden, dan besluiten de honderden hondebezitters aangetrokken door de koelte, hun ronde maar eens te gaan maken. De honden die natuurlijk loslopen en voor geen meter luisteren, kunnen je de lol behoorlijk ontnemen. Niet dat ik bang ben voor honden, het is echter zo vervelend als je een zorgvuldig benaderde karper voor de kant weg ziet schieten omdat er zo'n mormel komt aanstuiven om je voerbak aan een nadere inspectie te onderwerpen en hem vervolgens leeg te vreten.

Maar wanneer het dan een uur of twaalf wordt en de mensen zijn terug gekomen van hun familiebezoekjes en verjaardagsfeestjes, dan wordt het echt rustig. Heerlijk die stilte. Tegen een achtergrond van in lantaarnlicht glimmende auto's en de grimmige donkere silhouetten van de huizen, klapt er zo nu en dan een karper terug in het spiegelende water.

Om de meeste stress te omzeilen besluit ik om zoveel mogelijk met het donker en 's nachts te gaan vissen.

 

DE VANGST
Het gebeurde allemaal in de nacht van 3 op 4 juni, nog geen week na de vangst van de dertiger door die Peppie.

Zoals gewoonlijk had ik mijn beide Maddocks hengels bij me. De D.T.2 was uitgerust met een pen met daarop een bèta­light. Op een voerbed van hennep gebruikte ik Frolic als aas. De andere hengel was met een backstop systeem uitgerust. Gevist werd met een amberzing geflavourde boilie. De stek werd voorzien van zo'n vijftig boilies. Later, met het eigenlijke vissen op de stek, werden daar nog eens tien boilies bijgevoerd. Want eerst viste ik wat andere veelbelovende stekken af. Het is met deze methode mogelijk om snel een paar karpers te vangen. Want als de ene stek verstoord is door de dril van een vis, dan verhuis je gewoon naar een nieuwe rustige stek. De stek bij de brug was de stek waar de sessie altijd werd beëindigd.

De duisternis viel in. Het begon ook fris te worden. Typisch een van die nachten waarop je geen beet verwacht. Langzamerhand begon het water te dampen en nevelslierten dreven voorbij. De tijd verstreek zonder dat ik beet kreeg. Het lag aan het weer - de kou - dat leek me zeer waarschijnlijk. Tegelijkertijd speelde er in mijn gedachte dat ik onder dergelijke omstandigheden al eens een grote vis gevangen had. Maar dat was in oktober geweest. In het Hoefijzer leverde de Frolic-voerstek destijds een schubkarper van precies twintig pond op. Die avond was het ook stervenskoud. Over de weilanden uit de richting van het Westerveld dreven grote nevelbanken voorbij. Maar toen, niet eens onverwacht begon mijn waker zijn reis richting start-oog. Die reis werd niet geheel afgemaakt. Voor het zover was, stond de hengel namelijk al lang krom.

Ik zou niet lang meer blijven. Al twee stekken hadden niets opgeleverd. Nu zat ik tot slot naast de brug. Het vertrouwen was tot een dieptepunt gedaald. Zoals gewoonlijk stelde ik me een tijdslimiet. Als ik voor een bepaalde tijd een karper zou vangen dan zou ik er nog 'n uurtje bij aan plakken. Vandaag zou er voor 00.45 wat moeten gebeuren. En laat ik nou om veertien minuten over half een 'n doorbeet krijgen!

Ik had al een tijdje wat twitches op de boilie-hengel gehad. Nu resulteerde dat dus in een doorbeet. De dril was niet opvallend. De zeventig centimeter lange schubkarper deed wat er verwacht werd van hem, namelijk een robbertje vechten en dan aan het slot rustig het wachtende landingsnet inglijden.

Dit onverwachte succes dwong me om een uurtje langer te blijven. Ik liep naar de overkant en liet daar, bij de vijfde bolling van de schutting rechts naast het struikje, de boilie onder de kant zakken. Daarna voerde ik een tiental boilies bij. Het voer en het aas lagen er weer perfect bij. Ik zette de molenbeugel los en liep al lijn vierend terug naar  mijn visplaats. Daar werd de lijn strak gedraaid en werd de waker in de lijn gehangen. Het wachten was weer begonnen.

Het probleem met mij is dat ik snel ongeduldig wordt en dan bij de hengels wegloop (ze haken zichzelf met boilies toch wel) of de tijdslimiet bijstel zoals nu. Ik zou tot uiterlijk kwart over een blijven en niet tot kwart voor twee zoals ik mezelf eerder had beloofd. Bij de hengels weglopen resulteerde vroeger regelmatig in een in het water getrokken hengel. De hengel scheerde dan als een speedboot over het water. Een prachtig gezicht! Minder leuk waren die keren in de Politiekolk. En dat terwijl ik die keren pal achter mijn hengels zat!

In een donkere nacht werd mijn Alan Brown het water ingesleurd. Recht onder mijn handen vandaan. De beet was zo keihard dat de hengel al het water was ingekatapuld voordat mijn hersenen doorkregen wat er aan de hand was en dat ik aan moest aanslaan. Mijn handen grepen in het luchtledige.

De hengel was op het zwarte water niet te zien. Het werd daarom een lange nacht. Toen eindelijk de ochtendschemering inzette speurde ik het hele water af. Maar geen hengel. Ai, dat was niet best. Tenslotte zat er niets anders op dan het water in te gaan. Gelukkig vond ik al bij het eerste plompenveld recht voor mijn stek de lijn terug. Optimistisch als altijd verwachtte ik ook nog dat de karper er aan zou zitten. Voetje voor voetje volgde ik de lijn. Helaas de vogel was gevlogen. Maar belangrijker was dat ik de hengel terug had.

In hetzelfde water werd mijn Kevin Maddocks gedoopt. Wederom door zo'n keiharde aanbeet op zo'n vijftig meter afstand. Die beet was zo hard, dat voordat de hengel het water raakte, hij eerst tien meter door de lucht vloog. Hij werd afgevuurd als een raket! Ook nu was het weer paniek. De hengel zonk al dieper en dieper. En op het laatst was slechts het achterste foam gedeelte van het handvat nog te zien. Gelukkig stond er meer dan vijftig meter lijn uit. Door er simpel met een andere hengel overheen te gooien moest de hengel naar de kant te krijgen zijn. Hans en ik liepen naar een steiger die loodrecht op de uitstaande lijn stond en begonnen te gooien. Al vrij snel was het raak en kwam de hengel naar de kant. De vis zat er nog steeds aan. Misschien zou het lukken deze karper te vangen. Helaas zaten de beide lijnen in de war. Daardoor kon er niet gedrild worden. Eindelijk was de knup eruit. De hengel nam nu zijn prachtige curve aan. Maar dat kon niet verhinderen dat de karper ging scheren. Met een boog kwam de vis naar de aan mijn kant gelegen plompen toe. Tegen een scherende karper is vrij weinig te beginnen. Deze dook de plompen in en loste daar de haak.

Het was nu al dik over enen. Ik had de moed definitief opgegeven om nu nog een karper te vangen. Langzaam werden de weinige spullen opgeruimd. De penhengel werd opgehaald en ingeklapt. Normaal klap ik dan de andere hengel in. Nu echter herinnerde ik me de woorden van Ronny tijdens een gesprek over "last minute wackers". Hij klapt eerst zijn schepnet in en daarna pas zijn hengels. Tijdens het inklappen van zijn net zou hij nog een aanbeet kunnen krijgen! Zelf ruimde ik normaal gesproken eerst de hengels op. Ik zag het niet zitten dat in een voorkomend geval, ik de karper met de hand moest landen of dat ik eerst weer het landingsnet in elkaar moest gaan zetten. De kans dat een karper op het laatste moment nog zou ontsnappen was mijns inziens redelijk aanwezig. En de bijkomende stress wanneer mij dat zou overkomen woog niet op tegen het gemis van een beet waarvan ik nooit het bestaan zou kennen.

In deze bewuste nacht deed ik het toch op de Ronny manier. Noem het een zesde zintuig. Eerst het net en dan de hengel. Het net werd ingeklapt. Toen ik daarna op het horloge keek, zag ik dat het nog geen kwart over een was. Ik besloot om de resterende minuten te gebruiken om vanaf de steiger te observeren. Mijn Optonic was bij de steiger niet te horen. Toch eens andere batterijen halen. De tijd was om en ik liep terug. Vage piep geluiden kwamen me tegemoet. Geen doorbeet maar onmiskenbaar beet. Dat getwitch hield een tijdje aan. Daarna begon de waker te zakken. Maar dat kon eigenlijk niet! Ik viste met de backstop op vijftig centimeter en met veertig gram lood. Hoe de "hell" was het dan mogelijk dat de waker niet steeg bij een aanbeet? Ik draaide de lijn wat op maar de waker bleef zakken. Dit moest toch echt een beet zijn! Snel sloeg ik nu aan. Bijna een gat in de lucht, want ik voelde maar zeer weinig weerstand. Toch ontstond een meter of tien van mijn eigenlijke stek een golf. De vis was dus toch gehaakt. Het leek een simpele dril te gaan worden. Binnen vijf seconden had ik de vis onder mijn eigen kant. En wanneer ik het net nu bij de hand had gehad, dan was het gevecht misschien in tien seconden afgelopen geweest. Helaas, ik moest het net weer uitklappen, want het gestuntel om de vis met de hand te landen zag ik al helemaal niet zitten.

Ik klemde de hengel vast tussen mijn beide benen, zodoende had ik twee handen vrij om het net in elkaar te steken. Zoals altijd in deze crisissituaties zat het net een beetje in de knoop en ging alles niet zo vlot als ik gedacht en gehoopt had. Tot overmaat van ramp begon de vis ineens wakker te worden. Als een tank kwam hij op gang. De hengel boog steeds dieper door. De druk werd nu zo groot dat ik het net onuitgeklapt aan de kant moest gooien om de hengel weer in de hand te nemen. De Kevin Maddocks hengel ging nu echt loeikrom tot ver in het handvat. Oef, wat een power ontwikkelde die vis. De slip kwam langzaam tikkend op gang maar van lieverlede ging het getik over in een konstant geratel. De karper dook onder de brug door. Daar was ik altijd bevreesd voor geweest. Om te voorkomen dat de lijn kapot geschuurd zou worden op de bakstenen rand drilde ik met gestrekte armen waardoor de lijn door het midden van de brug zou gaan. Aangezien mijn naam geen Arnold Schwartzenegger is zou ik dit niet lang kunnen volhouden. Ik moest proberen om naar de steiger te komen waar ik de hengel in mijn zij kon planten. Met heel veel moeite kon ik een paar meter richting steiger komen. Net voldoende om de hengel onder mijn elleboog door te halen en een beetje steun in mijn zij te krijgen. Dat was dringend nodig ook. Want de vis zwom met een constante snelheid met de hengel tot in zijn uiterste stand krom, gewoon door.

Dit behoorde helemaal niet te kunnen! De dreiging was onheilsspellend. Wat voor een vis kon zo'n geweldige kracht ten toon spreiden? Het was nog nooit gebeurd dat ik me machteloos voelde maar deze vis kreeg het voor elkaar. Zoiets gebeurde eigenlijk alleen in dromen (of nachtmerries?). Het leek ook net alsof ik totaal buiten de werkelijkheid geplaatst was.

De adrenaline gierde door het lijf. De angst voor het verspelen nam sterk toe. Niet alleen was ik ontzettend nieuwsgierig wat mijn tegenspeler voor patser was. Maar de vis moest nu onderhand de brug onder door zijn. Als de vis nu naar links of rechts af zou buigen dan betekende dat het einde van de dril. Gelukkig boog hij niet af. Wel zwom hij gewoon door alsof het allemaal niets uitmaakte en hij niet in het minst gehinderd leek te worden door de 1 3/4 pond loeikromme hengel.

De brug was hij nu ver voorbij. Het volgende opstakel lag zo'n dertig meter verder. Een bos takken aan de rechterkant kon zijn redding betekenen. En op dezelfde hoogte ongeveer kon de karper besluiten om linksaf de hoek om, af te slaan. Met zijn blik op oneindig ging de vis rechtdoor. Totaal onverwacht stopte de karper. Was hij met zijn kop tegen de oever aan gezwommen? Hij was ver weg, heel ver weg. Nu was het zaak de karper rustig rechtdoor terug te pompen. De kans dat de vis nu naar links of rechts zou gaan was erg groot omdat hij geen snelheid meer had. Gelukkig ging alles goed. De vis kwam rustig mee. Het terughalen duurde een eeuwigheid.

Onder de brug onstond grote beroering. De vis was nu in zoverre onder controle dat hij aan die kant geen opstakels meer zou kunnen bereiken. Alleen was de steiger aan mijn linkerkant ineens akelig dichtbij gekomen voor de karper. Maar hij was moe. Mijn rechterarm ook, daar niet van. Zo goed als uitgedrild lag hij hoog in het water. Dit was de kans om het net in elkaar te zetten. De hengel ging weer tussen de benen. En nog paniekeriger als in het begin lukte het tenslotte het net in elkaar te krijgen. In de tijd die hiermee gepaard ging, was de vis weer wat op krachten gekomen. Ook werd het mij duidelijk - door zijn manier van zwemmen - dat de karper valsgehaakt was. Oppassen dus! Hij begon zijn achtjes onder te top te draaien. Maar vermoeid als hij was moest hij dat snel opgeven. Het net wachtte. Rustig lag hij in het water. Ik probeerde het net onder de vis te schuiven. Shit! Het net zat vast aan de kant. De eerste poging mislukte en ik rukte het net los van een onderwater liggende tak. De karper zag nog een kans. Langzaam zwom hij weer van me weg. Enige overtuiging ontbrak echter in zijn poging. Nu verliep de landingspoging perfect. Wat een opluchting toen ik eindelijk het net uit het water kon tillen. Dat was echter geen gemakkelijke opgave.

De eerste glimp was al voldoende om te beseffen dat ik een "thirty" op de kant aan het tillen was. Na een dril van dik een half uur was een rondedansje wel op zijn plaats.

De haak was terechtgekomen in zijn flank. Hoe dat heeft kunnen gebeuren is totaal een raadsel. Het is niet bij het aanslaan gebeurd, want de vis had zichzelf al geprikt. En het is volgens mij onmogelijk, dat je met een onderlijn van slechts negen centimeter lang een zo'n hoge karper midden in zijn flank kan haken, tenzij de vis met zijn flank langs de bodem is gerold om in opperste extase mijn boilies te proeven. Waarschijnlijk heeft de haak in het begin wel in de bek gezeten maar is die los geschoten en in de flank terecht gekomen. Hoe dan ook ik had een "real last minute whacker" gevangen!

Snel werden de weegzak en een bewaarzak nat gemaakt. De spiegelkarper legde ik op de bewaarzak. Nu kon ik de natte weegzak aan de weger hangen en de weger op nul zetten. Vervolgens werd een volle weegzak aan de haak bevestigd. Nu even goed opletten dat ik niet de verkeerde, Engelse schaal, af zou lezen. Eenendertigenenhalve pond was de gigant zwaar. En dat bij zesentachtig centimeter. Bij een nadere inspectie bleek de vis nogal beschadigd te zijn. Zijn rugvin lag totaal in de prak. Op zijn lijf zaten nogal wat rode plekken. Vooral bij zijn staart. Dit moest gebeurd zijn bij een eerdere vangst. Toen mij dan ook ten gehore kwam dat de Peppie dertiger bewaard was in een leefnetje was het duidelijk dat het om dezelfde vis ging. Deze vis stond trouwens ook met foto in "Het Visblad" bleek later. Wat hij woog is niet vermeld, wel dat hij achtentachtig centimeter lang was. Ik kreeg nu sterk het vermoeden dat deze vis voor heel wat verhalen had gezorgd. Mark zijn dertiger was tenslotte ook een spiegel geweest. En de verhalen over een dertigponds leder betroffen waarschijnlijk ook deze vis want erg veel schubben had ie niet. Bleef over waar die grote schubkarper ergens uit zou hangen. Volgens, voor mij, nieuwe geruchten zou die bij de sporthal rondzwemmen.

Nu was het zaak goede foto's te krijgen. Daarvoor moest Henk uit zijn bed gehaald worden. Om kwart over twee 's nachts tikte ik zachtjes met de schepnetsteel tegen zijn raam. Een paar oerkreten volgden toen hij ruw in zijn ongetwijfeld mooie droom gestoord werd. Die gast schreeuwde het hele huis bijelkaar, terwijl ik zo mijn best deed om alleen hem wakker te krijgen. We spraken af om vroeg in de ochtend dia's te maken. Met de Harley dreunden we die ochtend het dorp wakker. Rustig als altijd ploften we al "easy" rijdend naar de Zilverkamp waar met wat hindernissen (half lege batterijen) een rolletje vol geschoten werd.  

Later bij de inspectie van de lijn bleek dat deze over minstens zestig meter beschadigd was. Dat varieerde van lichte beschadigingen tot zeer zware rafels bij de eerste meters na de onderlijn. Enig geluk kon me bij deze vangst niet ontzegd worden.

Tonny Buijs