THE CRACK IS BACK

Pas in april begon ik weer aan vissen te denken. Niet dat ik normaal veel vang of vis, maar deze winter was echt de vlam even gedoofd. Wat! Deze winter? Ik had al sinds september m’n hengels niet meer aangeraakt! Maar karpervissen zit en blijft in je bloed. Als dan het lentezonnetje gaat schijnen dan begint dat bloed al snel te koken. De karpers laten zich weer zien op de bekende plaatsen. En als je al observerend langs de waterkant struint dan komen al snel die herinneringen aan voorgaande gevechten weer boven. Op deze momenten ontwaakt het vuur weer. De karpers die je daar zo lekker in het zonnetje ziet liggen die heb je in gedachten al in je handen om gefotografeerd te worden. Zo begin mei ben ik weer echt ziek. De karperkoorts slaat weer toe!

            Ik heb altijd met veel plezier in de kolk gevist. Ik hield van de sfeer rondom dat water en wat nog belangrijker is: de kolk hield van mij. Het klinkt misschien raar maar iedere karpervisser heeft wel een watertje waar hij altijd pech heeft en waar altijd alles fout gaat. Voor mij is dat dus niet de kolk, want regelmatig kwamen er karpers in het net.

            Nadat er zoveel karper uit de kolk was gehaald, was het volkomen oninteressant om er te karpervissen. Er zaten er niet veel meer in en die er in zaten waren klein. Dus liet ik de kolk maar een paar jaar links liggen. De situatie is echter veranderd; de kolk is voor mij weer interessant geworden. Enerzijds werden andere wateren minder interessant (Hoefijzer: op een na allemaal gevangen; Gracht: geen sfeer en te makkelijk en de Politiekolk ken ik als mijn broekzak plus dat ik daar doodziek word van alle losschieters). Anderzijds vind ik het heel erg interessant om te weten of de karpers in de kolk gegroeid zijn en zwaarder zijn geworden (zowel van de jonge als van het restant oude karpers).

            Natuurlijk heb ik de afgelopen jaren zo af en toe een bezoekje gebracht aan de kolk. Gewoon om wat karpers te observeren. Om een idee te krijgen hoeveel er nu eigenlijk nog inzaten maar ook om de reactie te zien op “nieuwe” aassoorten. Ik heb er zelfs een keer illegaal gevist. Vanuit “de boom” zag ik eens een aantal karpers langs het kantje scharrelen. “Toevallig” had ik wat maïs en lunchworst bij me. Voorzichtig werd het een en ander langs het kantje gestrooid zodat ik het mooi kon zien liggen. Al snel begon er een karper van te vreten. “Bingo” dacht ik. Als een speer ging ik naar huis een hengel halen. Toen ik terug kwam, was de karper er nog steeds. Maar er lag ook nog maïs en worst. Dat betekende dat hij geen erge honger had. Toch maar ingegooid. Het adrenalinepeil steeg tot enorme hoogte……. Langzaam naderde hij de voerplek. Hij at drie maïskorrels en verdween toen weer. Shit! Na vijf minuten was hij weer terug en at een blokje worst om vervolgens voorgoed te verdwijnen. Ach, je kunt niet altijd geluk hebben. Interessant om te vermelden is ook dat de karper niet echt klein was. Voor de kolk zelfs een bak. Zo’n 70-75 cm. schatte ik hem.

            Terug naar 1990. Ik was bezig een voerplek aan te leggen achter in de hoek bij de boom. Al vier dagen had het maïs en boilies geregend. Wanneer ik zou gaan vissen, wist ik niet; als de wind zo zou blijven als dat ‘ie was, dan voorlopig niet. Voordat ik het voer er in gooide, observeerde ik altijd enige tijd vanuit de boom. Om eventueel aanwezige karpers te verleiden om zich te laten zien, strooide ik Bonzo’s. Dit hondenvoer moest de karpers onder de struiken vandaan lokken. In die vier keer (dagen) heb ik slechts een karpertje gezien (een jonge schubkarper).

            Groot was mijn verbazing dan ook toen ik ’s avonds (8 mei, de vijfde dag) een spiegelkarpertje van zo’n 60 a 65 cm. langs het kantje (bij de voerplek) zag scharrelen. Snel strooide ik een handje maïs langs het kantje. Door de slechte hoek waaronder het licht inviel, kon ik het maar moeilijk zien. Ik had echter niet het idee dat de karper zich te goed deed aan de maïs. Dus besloot ik om maar gewoon te gaan voeren. Ik pakte het zakje maïs op maar opeens zag ik vanuit een ooghoek nog een paar donkere schimmen. De spiegel had wat gezelschap gekregen van wat grotere soortgenoten! Nu waren ze met z’n drieën. Die andere twee schatte ik, zoals later zou blijken onterecht, op zo’n 75 cm. en zo’n veertien a vijftien pond. Een van die twee karpers was een schubkarper. Deze karper miste een paar schubben zodat die herkenbaar was. Die andere karper heb ik niet zo precies gezien. Ik zag dat die iets groter was dan de schub, maar meer ook niet.

            Voorzichtig strooide ik nog wat maïs. Verrek, ze kwamen eropaf! Zonder haast begonnen ze ervan te vreten. Nu werd het tijd voor wat meer gewaagde experimenten. Ik strooide maïs recht over hun koppies. Ze schrokken niet! Nou, dan maar eens een boilie proberen. De boilie (seafood)  kreeg niet de kans de bodem te halen! In de vlucht werd die al gegrepen. Toen strooide ik een handje vol boilies over hun koppies. Zelfs daar schrokken ze niet van. Dit had ik nog nooit meegemaakt. Ze bleven rustig door azen. Hoezo goed van vertrouwen? Zeker een paar jaar niet bevist?

            Nog wat over dat azen. Terwijl ze de maïskorrels en boilies naar binnen zogen, bewogen ze zich geen centimeter! Stel nu dat er aan zo’n boilie een haak zou zitten, dan heeft die karper misschien al een minuut jouw haak in de bek zonder dat je wat ziet aan je waker. Nu gedragen deze karpers zich zo omdat ze vol vertrouwen zitten. Echter: hypergedresseerde karper gedraagt zich bijna net zo, hoe tegenstrijdig dit ook moge klinken. Deze gedresseerde karper heeft geleerd dat zolang die zich niet beweegt zonder hinder alle boilies een voor een kan uittesten. Zodra de karper zich gaat bewegen, dan wordt die in negen van de tien gevallen gestopt door een 60-grams wartelloodje.

            Ik dwaal nu een beetje af, maar goed. In Engeland  (zwaar gedresseerde karper) zat eens een man te vissen. Hij gooide zijn drie hengels in en voerde een vierhonderd boilies. Alles gaat goed, denkt hij, want hij ziet een aantal karpers springen op zijn stek. Hij kruipt in zijn tent en gaat slapen. De volgende ochtend wordt hij uitgeslapen wakker want hij heeft zijn optonics niet gehoord. Hoe kan dat toch? Peinst die man.

            Ondertussen waren er een paar duikers gekomen en opeens krijgt onze karpervisser een idee. Hij vraagt die duikers of ze zijn knikkergrote rode balletjes eens op willen duiken. Dat willen die duikers wel. Al spoedig ontstaan er bellensporen en plakkaten op zijn stek. Plotseling begint zijn Optonic te krijsen. Het is net echt. Jammer genoeg voor de visser is het een duiker. De duikers hadden maar drie boilies gevonden; juist ja, de drie die aan de haak zaten. Die andere vierhonderd waren weg! Door iedere boilie ook de haakboilies een voor een voorzichtig te testen, werden de karpers niet gehaakt.

            Terug naar de vol vertrouwen zijnde karpers in Knuiman. Het gedrag van deze karpers zou trouwens voor mij ook een probleem worden. Maar dat komt verderop.

            Ondanks, of dankzij het onweer, ga ik een hengel halen. Met onweer zijn karpers namelijk negen van de tien keer zeer actief. Als het goed is, moet ik binnen vijf minuten een karper kunnen vangen. Nadat mijn vader me heeft verteld dat ik gek ben om met dit weer te gaan vissen, stap ik op de fiets en ga in sneltreinvaart naar de kolk. Voordat het begint te regenen, wil ik hem binnen hebben.

            Snel hing ik er een boilie aan. Verder, op de haak na, geen toestanden aan de lijn. Met een hengel en een schepnet in de hand, sloop ik de hoek in. Gelukkig, ze zaten er nog. Snel strooide ik wat maïs en boilies. Ze vlogen er op af. Kaasje, dacht ik. Ik liet de boilie tussen de karpers zakken en verwachtte er binnen vijf seconden een aan te krijgen. Het duurde vijf minuten. Rukkerig voelde ik de lijn door mijn hand glijden. Een beheerste slag volgde. Hangen! Daarna was de controle even zoek. Wat ik niet verwachtte gebeurde: de karper ging door de zeer zwaar afgestelde slip en bereikte de struiken. Een fractie van een seconde te laat legde ik de hand op de spoel. Even schuurde de lijn nog over de takken, terwijl ik de karper stopte, maar toen: knap! Een slappe lijn. “Hallo? Heb ik dat weer?”

            Ik kreeg nu toch zo langzamerhand het idee dat ik het karpervissen verleerd was. Op dat moment van het seizoen had ik acht karpers gehaakt, waaronder een dertigponder, en slechts twee daarvan gevangen! Dus niet die dertigponder!

            Ik baalde als een stekker en overlegde in mezelf of ik zou blijven of naar huis zou gaan. Ik was er zo op gebrand een Knuiman-karper te vangen, dat ik bleef. Ik knoopte er een nieuwe haak aan (lijn: Maxima chameleon, 27/100 mm; haak: O’Shaugnessy maat 6.). De slip ging nog wat tikjes strakker en ik veranderde mijn zitpositie enigszins. Dit laatste is mijn inziens zeer belangrijk geweest. Het is normaal zo, dat als je naar rechts trekt met de hengel, de karper naar links zwemt. Met deze wetenschap kun je dus een karper sturen. Mijn positie bij de verspeelde karper was zodanig dat de karper tegen de weerstand in, recht de struiken in zou schieten. In mijn nieuwe positie en door naar rechts aan te slaan zou de karper naar links zwemmen.

            De slip vaster zetten was een enorm risico. Normaal kun je, als je zo’n vijf meter lijn hebt uitstaan, de slip gewoon dicht draaien (bij niet al te grote karpers en zelfs bij grote karpers lukt dit vaak). De rek in de lijn en de hengel vangen de enorme rukken dan op. In dit geval echter had ik maar een meter lijn uitstaan. En in die ene meter zit maar weinig rek. Langzaamaan werd het onweer steeds erger. Het begon nu ook te regenen. Gelukkig zat ik redelijk droog onder de boom. Ook was het donker geworden.

            Omdat er veel takjes in het water lagen, haalde ik om de honderd tellen op om te controleren of mijn boilie nog goed lag. Tijdens zo’n ophaalmanoeuvre verschrikte ik nog een karper. De haak moet langs zijn lichaam zijn geschuurd waardoor hij schrok. Ja, dat is het risico van het vele ophalen. Er zat in ieder geval nog karper op de stek! Dat kon ik trouwens ook wel zien aan de vele golven die van de kant afkwamen. Nu wist ik wat die drie karpers aan het doen waren geweest. Ze waren het kuit van de afgepaaide brasems en voorns aan het opvreten.

            Constant kreeg ik korte rukjes op de lijn. Karper, dat wist ik zeker. Maar deze rukjes waren te kort om op te slaan (vol vertrouwen azende karpers). Vlak nadat ik voor de zoveelste keer had ingegooid kreeg ik een iets hardere ruk. Snel mepte ik aan……. Hangen! Nu merkte ik wat het is om met zo’n korte lijn en met een dichte slip een karper te drillen. Een gevecht op het scherpst van de snede! De hengel werd bijna uit mijn handen geramd. De karper schoot naar links. Keer op keer werd de hengel krom gebeukt. Soms waren de rukken zo hard dat de hengeltop onder water verdween. De karper ging zelfs nog een paar tikjes door de slip. Dat kwam nu wel goed uit, want met een te korte lijn kun je de karper niet boven je net krijgen. Zoals altijd met deze felle gevechten, gaf de karper zich snel uitgeput over. Wat was ik blij dat er eindelijk weer eens een in het net terechtkwam.

            Nu negen gehaakt, drie gevangen.

            Nu volgde de routinematige klus van wegen en meten. Tijdens deze bezigheden herkende ik de karper als zijnde de schubkarper uit het groepje van drie. Ik had ze dus enigszins overschat want deze karper was 71 cm. lang en 10,1 pond zwaar.

            Terwijl ik drijfnat naar huis fietste, bedacht ik dat ik het niet eens zo gek gedaan had. De eerste vissessie na een aantal jaren van afwezigheid leverde binnen anderhalf uur twee gehaakte karpers op. Voorwaar geen slecht resultaat.

            De volgende avond was ik weer present. De geschiedenis herhaalde zich. Ik ging voeren, zag weer karpers, ging een hengel halen en begon te vissen. En ja hoor, na een kwartiertje dook de dobber onder. Een forse slag en: hangen! Hallo zeg, deze karper was iets sterker dan die van gisteren. Met een noodgang ging die door de slip, mij bijna het water in trekkend. Nog even en hij zou in de struik zitten. Snel legde ik de hand op de spoel en trok uit alle macht. Oef, wat stond die hengel krom! Het was buigen of barsten. Grote kolken verschenen aan het oppervlak, vijf centimeter voor de struik. Ik had hem gestopt! Langzaam kreeg ik de karper onder controle. Het schepnet had ik al in de hand toen……… shit, de hengel sprong recht. Een losschieter! Wat een anti-climax. Tergend langzaam zakte de beduusde karper naar de diepte, mij in een diepe stress achterlatend. Ik ben maar gelijk naar huis gegaan.

 

Tonny Buijs