EEN NAJAARTJE ZILVERKAMP

 

Het najaar is de tijd voor bonen. Waarom bonen speciaal in dit jaargetijde zo'n goed aas vormen is niet geheel duidelijk. Maar waarom zou je daar je hoofd over breken als je weet dat het gewoon vangt! Dat de bonen zouden werken op de Zilverkamp daarvan was ik overtuigd. Immers, ik had er van de zomer ook al een meegevangen. Die karper had zonder enige argwaan op de stek geaast. Vrij snel hing die daarna aan de haak.

Dat was met de hennep wel anders. Daarmee kreeg ik karpers zat op de stekken aan weerszijde van de brug. Op een gegeven moment telde ik op iedere stek zo'n zes à zeven karpers waaronder op de ene stek een dertigponder en waarschijnlijk twee twintigponders. Het vervelende was echter dat ze mijn Frolicje vrolijk lieten liggen. Onbegrijpelijk, want ze wapperden met hun staarten mijn dobber onder. Frustratie al om! Als laatste redmiddel gebruikte ik toen de bonen. Om de een of andere reden werkte dit aas wel.

Ik had alweer een tijdje niet gevist. Nu echter kwam de tijd om een alles vernietigend offensief te plaatsen. September is de maand beweren ze altijd. Dus de tijd van het jaar was goed, het aas was goed, de plaats was goed en het tijdstip waarop ik viste was goed. Maar hoe zat het met de gebruikte techniek?

Vrijdag 13 september was de eerste avond waarop ik toe zou slaan. Ik gebruikte twee hengels. Mijn Dual Taper en mijn Alan Brown. Beide met een pen. De A.B. met een uiterst subtiel pennetje en de D.T. met een pen waarop een betalight was bevestigd, wat eigenlijk geen erg subtiele combinatie is. Op de D.T. gebruikte ik verder een multistrand onderlijn (12 pond) met een Au lion d'or (2) als haak. Twee bonen op de haak vormden het aas. Op de A.B. gebruikte ik ongeveer 25/00 Maxima lijn met direkt daaraan een O'Shaugnessy (6) haak. Eén boon vormde daar het aas. De laatste combinatie vond ik erg subtiel.

In het schijnsel van een straatlantaarn kon ik ieder tikje op het kleine pennetje van de A.B. zien. Niet dat ik tikjes verwachtte. Vroeger in de Gracht, het Bos en in Knuiman kreeg je immers ook vlotte doorbeten terwijl de aaspresentatie destijds lang niet zo subtiel was. Maar gezeten op de steiger, waarvan ik alles prachtig kon observeren, kwam ik langzamerhand tot de conclusie dat mijn prachtige aasaanbieding jammerlijk faalde.

Wat was namelijk het geval. De boontjes deden hun werk goed, regelmatig doorkruisten grote bellensporen de voerstek. Karper dat kon niet missen temeer ook omdat tegelijk met de bellen vaak ook grote wellingen, veroorzaakt door het wapperen met de staart, aan de oppervlakte verschenen. Dat dit zo goed te zien was kwam door de extreem lage waterstand. Het was misschien zo'n 50 centimeter diep. Waarom kreeg ik dan verdomme geen beet spookte het door mijn hoofd. Niet dat de dobbers roerloos in het water lagen, dat niet. Vaak genoeg tjoepte de dobber enige malen zeer heftig op en neer. Echter daar bleef het bij! Een paar keer kwam een bellenspoor recht op de dobber af. Het stopte onder de dobber waarna die een paar keer heftig schudde. Je verwacht een doorbeet, de adrenaline giert door het lijf en dat was het.

Ik besloot het systeem enigszins aan te passen. De boon kwam nu niet meer direkt op de haak maar aan een haartje van 4 cm er onder te hangen. Dit moest gewoon werken. Ik gooide in, mikte er een paar bonen omheen en wachtte op de doorbeet die nu komen moest. 

De doorbeet kwam nu vrij snel (hoera het systeem werkte nu). Maar na een halve minuut drillen schoot de karper los. Tsjee dat was balen. Wat kun je ook anders verwachten op vrijdag de dertiende! Gelukkig zat er een forse schub aan de haak geprikt. Dit bewees tenminste dat de karper vals gehaakt was en mijn systeem dus niet gewerkt had. Na deze afknapper ben ik gegaan. Overdenkend wat ik morgen moest gaan doen om een karper op de kant te krijgen.

Het was pijnlijk duidelijk geworden dat de karpers het verschil tussen een vrij liggende boon en een boon aan de haak zeer goed kenden. Om het verschil hier tussen merendeels op te heffen moest voor een zeer, zeer gevoelige aanbieding gezorgd worden. Ik besloot om op de Alan Brown 18/00 te gaan gebruiken. Dit moest kunnen want het is een zeer soepele glasvezelstok die de klappen van een vluchtende karper goed kon dempen. Verder was de A.B. uitgerust met een reel die een bijna perfecte slip bezit en het dus mogelijk maakte een dunne lijn te gebruiken. Als haak zou ik nu een K.M. hair rig (8) nemen. Lichter vissen was niet verantwoord daar het mijns inziens te lange driltijden zou opleveren en misschien een aantal lijnbreuken, en wat kon je met een nog lichtere lijn nu uitrichten tegen een aangeslagen twintig of dertigponder. Want het uiteindelijke doel is het vangen van deze grote karpers. Eigenlijk was deze 18/00 al gekkenwerk. Stel dat je een dertiger haakt, die zou je alle hoeken van de gracht laten zien. Maar ik was zo nieuwsgierig of ik met dit lichte systeem nu wel vlot doorbeten zou krijgen dat ik er toch mee ben gaan vissen.

Zaterdagmiddag ben ik bij Henk langs gegaan. Ik vertelde het hele verhaal aan hem. Verder vroeg ik Henk een diarolletje mee te brengen. In eerste instantie om mijn gladde achterband van de Harley te diagraferen maar min of meer uit gein zei ik ook dat ik hem vanavond nodig zou hebben, want ik had er een voorgevoel van dat ik een zeer grote karper zou gaan vangen.

Die avond beloofde veel goeds. Bij het water gekomen zag ik dat de karpers zeer aktief waren. Bellensporen en grote wellingen verrieden hun aanwezigheid. Ik voerde en begon de hengel op te tuigen. Ik had nu maar een hengel bij me want het was onmogelijk gebleken twee dobbers in het donker in de gaten te houden. Tijdens het optuigen kwam er al karper op de stek. En dat was geen kleintje. In de schemering kon ik zien hoe hij met zijn rug boven over de stek aasde. Deze vis was zeer de moeite waard. Snel gooide ik in. Ik vond het niet nodig om de boon aan een haartje te binden dus de boon zat direkt op de haak. Het was 20.25 uur. Vijf minuten later ging de dobber onder en liep de lijn strak. Met een beheerste aanslag (18/00) zette ik de haak. Het was de grote vis van daarnet.

Langzaam kwam de vis op gang. Eerst dreigde hij koers te zetten naar de steiger waar ik op stond. Dat zou zeker het einde van de dril betekend hebben. Gelukkig kon ik hem een beetje van gedachten veranderen en nu ging hij steeds sneller naar links het vrije water op. Zijn spoor was in het ondiepe water, dat nauwelijks zijn rug bedekte, goed te volgen. Een steeds groter wordende boeggolf deinde uit over het water. Het was net die scene uit Jaws, waarin de haai een waterskiester achtervolgde. De golven klotsten de kant op. Dit moest wel een zeer aanzienlijke vis zijn. Waarschijnlijk wel een twintiger. Na een run van 35 à 40 meter viel de vis stil. Dat bracht mij in de gelegenheid het schepnet te pakken en als een speer van de steiger af te komen om 15 meter naar links de karper uit te gaan drillen.

De steiger was een mooie stek, maar een karper daar uit drillen was vragen om moeilijkheden. Zelfs een verzwakte karper kon op het laatst nog de steiger onderdoor zwemmen. Koel werd de vis afgemat. Ik liep het water in om te voorkomen dat de karper vast zou komen te liggen in het ondiepe water. Daarmee had ik al eens een zeer nare ervaring gehad in Dodewaard. Het landen verliep volgens het boekje. Toen ik het net uit het water wilde tillen moest ik meer kracht zetten als ik had vermoed. Zou dit soms weer een dertiger zijn? Op de kant herkende ik de vis als zijnde de 31.5 ponder van eerder dit jaar. Maar hij was afgevallen. Dat was duidelijk te zien. Mijn voorgevoel had me in ieder geval niet bedrogen.

De dril duurde zo'n 10 minuten (en dat met 18/00 Tortue nacrita). De vorige keer was ik een half uur bezig met 27/00 maxima en een loei­kromme K.M. hengel. Maar toen was de vis vals gehaakt en nu zat de haak keurig voor in de bek. Dat maakt dus onzettend veel verschil. Daarom geloof ik ook dat het om vals gehaakte vissen gaat wanneer iemand het heeft over sterke karpers die de spoel van de molen leeg zwemmen. 

Nu was het zaak om Henk te bellen om de vis te fotograferen. Ondertussen dat ik op Henk wachtte ging ik maar weer vissen. Zonder veel vertrouwen, want een groep kids had ook plaats genomen op de steiger en maakte nogal wat kabaal. Toch kreeg ik na vijf minuten weer beet (om 20.55 uur). Deze aanbeet leverde na een weinig opzienbare dril een karpertje op van 52 cm. De kids waren nu zo onder de indruk dat ze maar snel een hengeltje gingen halen. Toen was de rust voorgoed voorbij. Gelukkig kwamen Henk en Guido daarna vrij snel.

De spiegelkarper bleek inderdaad te zijn afgevallen. Hij was één pond verwijderd van de magische dertigponds grens. Met zijn 29 pond was hij 2.5 pond afgevallen ten opzichte van zijn eerdere vangst door mij. Dit en het feit dat zo'n dier een betere leefomgeving verdiende deed mij besluiten de vis alsnog over te zetten naar Rijkerswoerd. En wel naar de grote kolk. Daar had hij voldoende ruimte om nog te groeien en zou hij bij kunnen komen van zijn gestresste leventje in de badkuip Zilverkamp. Zo'n gestresste vis had Guido nog niet eerder gezien, zei hij, en ik moet ook zeggen: de vis zag er nou niet bepaald blakend gezond uit. Hij kwam enigszins dof over om het eufimistisch te zeggen. Om de vis later ongezien mee te kunnen nemen deed ik hem na het diagraferen weer terug in de bewaarzak en hing hem weer in het water. Zonder de hoop om er nog een te vangen viste ik door bij de brug totdat de kids hem af zouden nokken.

Het systeem leek perfect. Binnen een half uur lagen er twee karpers op de kant. Dit beloofde veel voor de toekomst.  

Zondagavond. Het weer is totaal omgeslagen. Na maanden van droogte komt de regen nu met bakken tegelijk naar beneden. Via een rioolstelsel wordt al het hemelwater van de Zilverkamp afgevoerd naar de grachten. Dit gaat gepaard met een daverend geraas. Zelfs als de regen al een uur gestopt is, dondert het nog voort. De kans dat er nu een totale zuurstofloosheid in het water optreedt is zeker niet denkbeeldig. Vooral niet nu het water zo extreem laag is. Een massale vissterfte is zeker niet uitgesloten. Gelukkig heb ik dat niet zien gebeuren. Dit speelde overigens wel een belangrijke rol in mijn beslissing om de vis over te zetten.

Tijdens de regen is de karper totaal passief. Na de bui komt er voorzichtig weer wat leven in de brouwerij. De karper is niet echt aktief en aast zeer voorzichtig. Werd gisteren mijn haakaas meteen geaccepteerd, nu krijg ik weer van die subtiele schijnbeten. Toch weet ik bij het bruggetje nog een karper te vangen.

De volgende avond regent het weer pijpestelen. De karper wordt wederom pas na de regenbui aarzelend aktief. Het waterpeil is zeker zo'n 20 à 25 cm gestegen, een steiging van 50%!! Wederom krijg ik subtiele beetjes zonder doorbeet.

Een niet zo'n aktieve karper is duidelijk veel voorzichtiger, is mijn conclusie dan ook. Dit lijkt heel logisch maar als je ervan uitgaat dat een azende karper gewoon een azende karper is, ook al is de rest van de aanwezige populatie niet aan het azen, waarom is die azende karper dan toch voorzichtiger? Hij is hongerig anders zou die niet azen. Kennelijk kent die hongerigheid ook zijn gradaties. Of zetten karpers, wanneer ze samen azen, elkaar aan tot een soort van voedselnijd. Waardoor ze pakken wat ze maar te pakken kunnen krijgen om de ander maar vooral voor te zijn.

Eindelijk kreeg ik dan een doorbeet. Tijdens de korte dril, alvorens de karper los zou schieten, kreeg ik het vermoeden dat hij vals gehaakt was. Deze karper accepteerde mijn aanbieding dus niet en ik kreeg beet omdat hij toevallig door de lijn zwom. Een tijd later kreeg ik weer beet en ook deze karper zou losschieten net toen het me gelukt was om van de steiger af te komen. Dit was derhalve weer een aardig frustie avondje.

Dinsdag en woensdag heb ik niet gevist. Pas donderdag was ik weer present. De karper was redelijk aktief en binnen 10 minuten kreeg ik beet. Deze karper was er een van de intelligente soort. Hij bleef rond de steiger hangen en het kon niet uitblijven: op een gegeven moment zwom hij eronder door. Ik probeerde nog om de hengel onder de steiger door te halen maar net toen dat gelukt was schoot de vis los. Shit! Nog een losschieter en de Maddocks haakjes zouden naar de schroot gaan. Die avond kreeg ik geen beet meer. Ik besloot om niet meer op de steiger te gaan zitten. Dit gaf teveel problemen met het drillen.

Vrijdag was ik weer present. Ondanks de aanwezige karper op de stek bleef een doorbeet uit. Toen besloot ik om mijn systeem te veranderen. Twee bonen werden via een 4 cm lange haar aangeboden. Binnen vijf minuten had ik een doorbeet en kwam er een klein karpertje op de kant. Op de andere stek kreeg ik daarna ook nog een doorbeet wat resulteerde in een misslag. Toch was het een karper gezien de golf van een vluchtende vis. Had ik nu het ultieme systeem ontdekt?

Zondagochtend zou ik met mijn neefje André gaan vissen. Oef, al om half zes stond ik op. Om kwart over zes waren we aan het water. Maar het zou tot zeven uur duren voordat we onze dobbers konden zien. Het waterniveau was weer gedaald tot bijna zijn laagste punt. Zo snel als het erbij kwam zo snel was het blijkbaar ook weer weg. De aktiviteit viel me tegen. Er aasden wel een paar karpers dat toch wel. Dat zou wel weer subtiele beetjes geven. Maar toen om 08.05 eigenlijk voor de eerste keer een karper dicht in de buurt van mijn aas kwam kreeg ik gelijk een doorbeet. Deze vis was 52 cm lang. Ach je kunt niet alleen de grote vangen. Toch vond André het al een beste knaap. We verkasten nu naar het bruggetje. Daar was lange tijd geen spoor van karper te bekennen. Plotseling golfde er een onder de brug. Ook verscheen er een grote modderwolk aan de oppervlakte. Snel gooide ik wat bonen in de buurt en ik gooide ook mijn aas wat meer in de buurt. Vijf minuten later was het zo ver. De dobber verdween in de diepte. Na een lange dril, de karper verzette zich stevig, kon André de vis voor me landen. Het formaat viel tegen. Net als de vorige karper had deze kleine knokker (64 cm) de haak zo'n drie centimeter buiten zijn bek zitten. Het haarsysteem werkt dus naar behoren alleen moet ik nog zorgen dat de haak nu echt in de bek van de vis terecht komt.

Jammergenoeg haakte Andre geen vis. Dit ondanks dat hij een paar mooie beten heeft gehad. Maar of dat karper is geweest blijft een raadsel. Toch vond hij het wel leuk. Toen er een grote karper vlak bij zijn dobber draaide ging zijn hengeltop van de spanning heen en weer.

Pas na twee weken was ik weer terug om te vissen. Zondagavond 13 oktober moest het weer gaan gebeuren. Het eerste dat me opviel was de doodsheid van het water. Geen bel, welling of kringel was te zien. Wat was er gebeurd in de tijd dat ik er niet was geweest?

Toch kreeg ik vrij snel karper op de stek. Maar pas na lange tijd geconcentreerd en aktief vissen kreeg ik een mooie wegloper (met haar). Schijnbaar stond de slip iets te strak. De lijn knapte ergens af bij de dobber. Het kan ook, dat de lijn bij de dobber in de knoop heeft gezeten want de lijn was op een rare manier gerafeld.

De volgende avond was de karper nog passiever. Al moet ik zeggen dat de karper zondag tussen 21.00 en 23.00 uur zeer aktief waren wat springen betreft. Zelfs het vissen met drie hengels leverde geen beet op. Het leek wel of de karper schrok van die strakke lijnen op de stek. Want als er dan eindelijk een karper op de bonenstek van de penhengel verscheen dan was die ook zo weer weg. Ten einde raad probeerde ik het maar weer op de steiger. Daar kreeg ik vrij snel een karper op de stek. Omdat de bonen van mijn haartje af waren, en ik geen zin had een nieuwe te maken, prikte ik een boon direkt op de haak. Dat leverde een beet op. Aan de manier van vechten (stoempen) te oordelen was deze vis wederom vals gehaakt. Helaas schoot de karper los.

Woensdagochtend was ik weer met André present. Het water was kompleet dood. What the hell was going on? Vrij snel besloot ik om naar de kleine Politiekolk te gaan. Tenslotte moest André een karper vangen. Ook daar was het water doods. En ook de grote Politiekolk bleek even later compleet doods te zijn.

Later hoorde ik van Marco, die op een ander water viste, dat ook zijn resultaten zeer slecht waren in deze periode. In ongeveer vier dagen onafgebroken vissen ving hij slechts een karper. Het moet aan de afkoeling van het water gelegen hebben.

Deze periode werd gekenmerkt door mooi weer overdag, maar 's avonds en 's nachts koelde het sterk af. Nevels hingen over het water en over de weg. Er ontstond zelfs mist.

Vrijdagavond ben ik nog eens teruggegaan. Nog steeds was het water zonder leven. Toch kreeg ik vlak voor het opruimen nog een doorbeet op de met bonen beaasde K.M hengel (uitgebalanceerde haak met twee bonen aan 3cm lange haar). Ik sloeg finaal een gat in de lucht. Waarschijnlijk was het een brasem want er ontstond geen golf. 

De week erop was ik er weer. Vrijdagavond 25 oktober was het inmiddels.

's Middags had ik Bald gebeld om te vragen hoe het hem vergaan was op de Zilverkamp. Hij had in twee sessies niets gevangen. Hij had ook met bonen gevist. Het belangrijkste wat hij zei was dat de karpers redelijk aktief waren. Dat was voor mij het teken om te gaan.

Wederom viste ik met drie hengels. De Maddocks hengels met een vast lood priksysteem en een slappe lijn. Ondanks karper op de stek kreeg ik geen beet. Het moest maar weer gebeuren met de penhengel. Een meter of dertig van de andere hengels vandaan maakte ik een voerplek met bonen. Een paar handjes zouden de karper op de stek lokken. En inderdaad het lukte. Er verschenen weer wellingen. Na verloop van tijd werd de vis steeds aktiever op de stek. Het kon niet lang meer duren voordat de beet zou komen. En ja hoor daar verdween de pen de diepte in. 

De reel begon lijn af te geven tot in het oneindige zo leek het. Vijftig, zestig, ja misschien wel zeventig meter lijn nam de vis. Daarna begon hij rustig op en neer te koersen. Naar mijn kant, weer naar de overkant en weer terug. De karper wist wie de baas was, hij liet me alle hoeken van het water zien. Gelukkig koerste hij niet verder van me af richting steiger. Hij had er kracht genoeg voor gehad om die te halen. Ik kon ook totaal geen kracht zetten. De 18/00 was totaal ontoereikend om eens lekker in de hengel te gaan hangen. Het was meer een soort van balanceer act. Het enige wat ik kon doen was zorgen dat de lijn niet brak. Een foutje, een misstap zoals een koordanser in de nok van het circus, zou het einde betekenen. Na wat uren leek te hebben geduurd kreeg ik de karper onder de kant. Mijn rechterarm was uitgeput. Ik moest zelfs overschakelen op links. Met geen mogelijkheid kon ik de vis boven het net trekken. Hij was gewoon te zwaar. Maar na zo'n half uur à drie kwartier drillen was ik met een geslaagde maar gevaarlijke manoevre instaat de karper het net in te laten zwemmen. De nog niet geheel uitgedrilde vis bleek wederom vals gehaakt te zijn. In de borstvin deze keer.

Een vals gehaakte schubkarper van 20,0 pond. En die kunnen knokken. Dat vechten is dan nog niet zo'n probleem. Met de 18/00 echter was ik niet in staat het gewicht omhoog te tillen om hem te landen. Was de karper op de grond gaan liggen mokken dan had ik met geen mogelijkheid de vis naar de kant kunnen krijgen.

En je maakt zo af en toe ook nog eens wat mee. Laatst zat ik 's avonds aan de Zilverkamp. Ik was mijn hengels aan het optuigen. Het was al donker maar desondanks maak ik geen licht om wat te kunnen zien. Licht en lawaai verjagen de vis. Om niet op te vallen draag ik legerkleding. Overdag ziet dat er in een woonwijk best dom uit denk ik. Maar 's avonds is er geen hond die mij in mijn camouflage kleding zal zien wanneer ik dat niet wil.

Zo liepen er aan de overkant drie jochies. Ik dacht eerst dat ze mij al gezien hadden. Later zou blijken van niet. Daarom vond ik het knap irritant en asociaal dat ze met hun blinkertjes steeds dichter op mijn stek gooiden. Ik besloot daarop om mijn lood vlak voor hun voeten te gooien zodat ze zouden begrijpen dat dat "mijn" stek was.

Ik bleef rustig zitten, bracht mijn hengel naar achteren en met een soepele worp vloog mijn dertig gram zware lood naar de overkant. De plons die vlak voor hun voeten ontstond miste zijn uitwerking niet. Ze schrokken zich dood. Ze schieten op ons zei er een. Kennelijk hadden ze me niet gezien. Dit moest ik uitbuiten. Rustig draaide ik de lijn binnen. Het gesprek van die jochies kon ik goed volgen. Wie is die eikel, wat was dat nou en waar kwam dat vandaan? Ik zette opnieuw aan voor een worp. Weer landde het lood vlak voor hun voeten. En weer schrokken ze zich kapot. Ze begonnen te schelden maar ze wisten niet tegen wie en waarheen. Als honden jankten ze naar de maan. He eikel, ik pak m'n luchtdrukpistool. Ik zie je wel hoor. De onzekerheid was uit hun stemmen op te maken. Een van die jochies zag in het schijnsel van een lamp mijn lijn lopen toen ik opdraaide. Toen hij zei, daar loopt een lijn stopte ik subiet met ophalen. Ik wilde mijn cover nog niet opgeven. Nu hadden ze wel enig idee waar ik zou kunnen zitten. Min of meer mijn richting op kwam er nu allerlei stoere praat. Ook dachten ze mij te kunnen zien zitten. Hij heeft witte laarzen aan zie je dat, zei er een. Ik lachte me haast dood. Wat een angsthazen.

Ik ben ervan overtuigd dat ze me al die tijd niet gezien hebben. Camouflage werkt dus wel degelijk. Die jochies heb ik niet meer teruggezien. M'n avond was goed begonnen.

Dat jaar 1991 wist ik nog twee karpers op de Zilverkamp te vangen. Eentje sneuvelde er wederom op bonen. Deze kleine karper van 39 cm was perfect gehaakt. Het kan dus wel! Opgemerkt dient te worden dat het systeem lichtelijk veranderd was door de loodhagel 33 cm van de haak af te zetten in plaats van de gebruikelijke 5 à 10 cm. De laatste karper sneuvelde op een keiharde chocolatmalt/benco boilie gevist met vast­lood en een slappe lijn. Deze schubkarper was 71 cm lang. 

                                          

Tonny Buijs