EEN BIJZONDERE VISDAG IN SEPTEMBER

Een bleek herfstzonnetje brak door de wolken. De Kolk lag er in het matte licht prachtig bij. De struiken en bomen toonden hun roodbruine en soms gele herfstkleuren. Hier en daar brak een voorntje door het wateroppervlak. Op zoek naar wat eetbaars, een lekker insect ofzo. Een langzaam uitdijende kring was het gevolg. Daar, achter het langzaam afstervende plompeblad schoten wat windes weg. Ze schrokken van een juist overvliegende reiger. Plotseling was daar een luide klap bij de steekstok ..... Nog net zag ik het bronzen lijf van een karper terugvallen in het wachtende water. Een paar tellen later verscheen er een bellenspoor op het water. Het werd donkerder. Een druilerige motregen kwam als een grijze nevel over de Kolk en maakte de wereld kleiner. Kleine druppeltjes streelden het water. Ik kroop wat dieper in mijn jas. Herfst, een tijd vol magische momenten ......

Ik liep al lang met de gedachte rond om weer eens serieus in de Kolk te gaan vissen. Dat het er ook daadwerkelijk van kwam had drie oorzaken. Ten eerste had ik dit jaar een karpervisser in de Kolk een schubkarper van 20 pond zien vangen. Ten tweede wilde ik met de vliegenhengel ruisvoorns en liever nog windes in de Kolk vangen. Ten derde was ik het vissen in de grachten zat. Rust kun je daar wel vergeten en de mede karpervissers lijken steeds meer in een staat van oorlog te verkeren. Op alle drie de punten werd de Kolk een succes. De druppel die mij deed besluiten om juist op dit moment te gaan vissen was een gesprek met de karpervisser die eerder in het seizoen die bewuste twintigponder had gevangen. Hij vertelde dat hij in de Kolk al een tiental karpers had gevangen. Iedere keer dat hij had gevist, had hij karperactie gehad. De twintigponder was de zwaarste vis geweest. Daarnaast had hij een aantal 15- en 16 ponders gevangen. De twintigponder was trouwens een bijzondere vis. Rondom zijn vinnen had hij een witte rand van zo'n halve centimeter.

Het is ondenkbaar dat vissen (karpers) van deze gewichten vroeger in de Kolk rond zouden hebben gezwommen. Maar nu, negen jaar nadat we ongeveer 45 karpers van deze 1 hectare grote doorbraak kolk hadden afgevist, is de situatie anders. Vroeger was dit water een karperput met de daarbij behorende enorme voedselconcurrentie. Het gevolg daarvan was dat de karper, de brasem en de zeelt slecht of niet meer groeiden. Met name de zeeltvangsten liepen enorm terug. Deze situatie werd door de visclub als probleem gezien. Naar aanleiding daarvan werd door een aantal jeugdige (karper) vissers een voorstel gedaan om een commissie viswaterbeheer in het leven te roepen. Deze is er inderdaad gekomen. Een van de eerste wapenfeiten van deze commissie was een planmatige aanpak van de karperstand in de Kolk. In het kort is er dit gebeurt:

1. In 1984 en '85 werden ongeveer 45 karpers verwijderd.

2. In 1986 werden een tiental jonge karpers uitgezet.

3. In 1994 werd deze uitzetting gevolgd door een uitzetting van 15 drie-zomerige karpers (K3) van het Valkenswaard type.

(In een volgend artikel zal ik op dit beheer terugkomen.)

 

Vliegvissen
Ik was er erg opgebrand om nu eindelijk eens een vis te vangen met een droge vlieg. Knuiman leek me er een goed water voor omdat het water redelijk helder is. "De Kop" was door de hete zomer zover droog komen te staan dat ik daar vandaan kon vissen. Deze stek gaf me de ruimte om met een lange vliegenlijn te vissen en dus verre worpen te maken. Toch schoot het allemaal niet op. De vissen beten niet, af en toe had ik last van de wind, dan zat de vlieg weer vast in het riet, en dan zat ie weer vast in het plompeblad. Echter, na een geslaagde worp dreef de vlieg door de wind langzaam richting plompen. Door de wind rimpelde het water vlak achter de vlieg, die een zogenaamde red-tag was. Toen de vlieg in de rimpeling verdween, was daar opeens een kolk. De vlieg werd gegrepen en de lijn schokte. Iets wat voor een aanslag door moest gaan volgde en zowaar ik had een vis gehaakt. Een weerbarstige vis kwam naar de kant. Het was een enigzins vreemde maar prachtige vis. Even later drong het tot me door: Ik had zojuist mijn eerste winde gevangen en dat nog wel aan een droge vlieg!

Mijn verrichtingen werden met belangstelling gade geslagen door Cor en Rinus. Na wat geklungel om in mijn eentje wat foto's te maken schoot Rinus me te hulp. Hij hield de vis vast terwijl ik een foto maakte. Laat ik nu helemaal vergeten om het toestel goed in te stellen! Het was maar een klein visje maar de omstandigheden maakte dat ik er zo blij mee was als een kind en dat ik helemaal niet dacht aan het instellen van het toestel. Gelukkig is de foto toch nog redelijk goed gelukt.

De visserij zit nog steeds vol met onverklaarbare toevalligheden, want daarna heb ik met de droge vlieg alleen nog maar ruisvoorns kunnen vangen. Na dit eerste succes werd er vaker gevliegvist. Met wat aanpassingen in de werptechniek kan ik nu eigenlijk langs de hele oever wel een redelijke worp maken. Het liefste zit ik echter op de steiger naast de struik bij Cor. Daar zitten meestal wel ruisvoorns en je zit er heerlijk rustig met alleen wat kwetterende vogeltjes naast je in de struik. Zo ook die bewuste dag.

 

Een bijzondere dag
Nu is iedere visdag een bijzondere dag. Een bekende kreet als: Een slechte visdag is nog altijd beter dan een goede dag op het kantoor, is zeker van toepassing. Maar toch had deze dag iets extra's.

Het zal de derde visdag van me geweest zijn toen het gebeurde. De eerste en tweede dag had ik al karper vastgehad. Helaas schoten beide vissen los. De derde dag had weer karper op zijn lijstje staan.

Met het vliegvissen had ik een truukje bedacht. Voordat ik mijn vlieg aan de ruisvoorns presenteerde werden ze eerst gelokt met wat drijvende stukjes brood. Deze methode leverde snel enkele ruisvoorns op. Toch ben ik later van deze truuk afgestapt. De voorns namen namelijk liever het brood dan de vlieg! Zonder te voeren grepen de voorns veel eerder toe. Overigens sloeg ik in het begin ontzettend vaak mis. Eerst dacht ik dat het aan mij lag, totdat ik kleinere vliegen ging gebruiken. Veel meer vissen werden gevangen, maar wel steeds kleinere. De kleine ruisvoorns konden de grote vlieg gewoon niet goed in de bek nemen!

Op de tweede dag bleek al dat er meer liefhebbers van korstjes brood waren. Wanneer de korstjes achter de struik verdwenen waren, klonk op zijn tijd een diepe smak, waarna grote golven over het water uitdijden. De avond op de derde dag ging het net zo.  

's Middags had Cor nog bij me gezeten. We keuvelden wat en ik vertelde hem dat er dit jaar een twintigponds karper gevangen was. Ik kon het aan hem zien. Hij geloofde het maar half. Jammergenoeg heb ik hem niet verteld dat die vis witte randen om zijn vinnen had .......... Maar terug naar Cor, karpervissen vond hij maar niets. Hele dagen vissen zonder wat te vangen dat was niets. Actie moest er zijn. En gelijk heeft ie. Daarom wissel ik een uurtje karpervissen ook af met een uurtje vliegvissen. Maar om karpervissen nu te omschrijven als een visserij zonder actie dat gaat me ook te ver. Als er actie is dan is het ook echte actie. En daarvan was Cor later die avond getuige.

Rond half acht hoorde ik weer van die diepe smakgeluiden achter de struik. Besloten werd een voerspoortje van korstjes aan te leggen. Mijn opzet lukte. Gedreven door zijn gulzigheid kwam de karper steeds dichter naar de rand van de struik waar ik mijn korstje had geserveerd. De vogeltjes in de struik voelden wat er ging gebeuren en stopten hun gekwetter. Keer op keer kwam zijn dikke kop boven water om een nieuw korstje weg te slurpen. Het onvermijdelijke gebeurde. Mijn korstje met daarin een grote gemene haak was aan de beurt. Zijn kop naderde de korst, smak, en de korst was weg. De lijn liep strak, of niet. Ik weet alleen nog dat ik in een waas aansloeg en dat het volgende moment mijn hengel zo goed als uit mijn hand werd geramd. Diep onder de struik door ging de vis met een noodgang richting steekstok. Mijn hengel hield ik tot aan het handvat onder water om de lijn vrij te houden van de struik. Deze truuk lukte half. Ik kon de vis terug pompen tot aan de struik. Toen bleek dat de lijn ergens achter de struik vastzat. Nu zat ik in een moeilijke positie: Gevangen op een steiger tussen twee struiken. Wilde ik de vis vangen dan moest er wat gebeuren. Ik moest van de steiger af om onder een ander hoek aan de lijn te kunnen trekken.

Met het schepnet in mijn mond en met een kromme hengel in mijn linkerhand probeerde ik de rechterstruik onderlangs te passeren. Met de vrije rechter hand probeerde ik zo goed als kwaad dat het ging de struik vast te houden om te voorkomen dat ik bij een misstap of onverwachtse ruk van de karper koppie onder zou gaan. De oever loopt op die plek nogal steil af namelijk. Ik hield het redelijk droog. Het water kwam toch tot net onder mijn knieen en daarom liepen de laarzen vol water. Maar ik haalde het! En de vis zat er nog aan. Nu keerden de kansen zich ten gunste van mij. Ik liep nog een stuk verder naar rechts en trok uit alle macht. De lijn sprong vrij van de struik en de vis zette koers naar het midden. Hoog door het water zeilde hij naar de kant en boorde zich voor de eerste keer in het plompeblad. In het heldere water kon ik hem toen goed zien en zag dat het een grote vis was. Cor stond inmiddels van achter het keukenraam het spektakel te volgen. Ik hoopte dat ie naar buiten zou komen want ik kon wel wat hulp gebruiken.

Precies weet ik het niet meer, maar ik meen wel drie of vier keer misgeschept te hebben. Een keer lag de vis zelfs half in het net. Het net zat echter verstrikt in het plompeblad zodat ik het niet goed kon optillen. De vis draaide zich en zakte het water weer in. Met zijn laatste krachten plaatste hij nog een ziedend schot zodat hij twintig meter verder weer opnieuw in de plompen vastraakte. Zo langzamerhand was ik de wanhoop nabij. Een meter onder het wateroppervlak zat de vis vast in de planten. Besloten werd tot een zeer gevaarlijke manoevre. Ik zou proberen de vis diep te scheppen. Langzaam werd het net onder de vis gebracht. Voorzichtig haalde ik het net zover omhoog dat de vis erin zat. Daarna trok ik uit allemacht het net en de nodige planten omhoog. Gelukkig zat de vis er goed in. Even later kon de vis op de kant bewonderd worden. Een geweldige schitterende bak was het. "Goh, dat liek wel 'n keuje", zei Cor die inmiddels naar buiten was gekomen. De karper bracht precies 19 pond op de unster en mat 85 centimeter. Opvallend detail: juist de vis had een wit randje van zo'n halve centimeter rond de vinnen. Ik had eerder van deze vis gehoord.

Ik heb nog een paar dagen mogen nagenieten van deze vangst. Zoals vaker het geval is met zenuwslopende drils, je wordt er zo moe van. Hoe het kan weet ik niet maar drie dagen later had ik van deze dril nog spierpijn in mijn benen.

 

Tonny Buijs